Uitspraak
1.De beslissingen van het hof van 8 september 2022
2.Het cassatieberoep
3.Waar het in deze zaak om gaat
Nadat de verdachte ondertussen voorwaarden niet had nageleefd die aan de TBS waren verbonden, heeft het openbaar ministerie de omzetting gevorderd van de (nog niet onherroepelijk opgelegde) TBS met voorwaarden in TBS met verpleging van overheidswege. Die vordering is toegewezen door de rechtbank. Ook heeft het openbaar ministerie de verlenging van de TBS gevorderd. Die vordering is eveneens toegewezen door de rechtbank. De beslissingen die ter beoordeling aan de Hoge Raad zijn voorgelegd, zijn de onder 4 weergegeven uitspraken met zaaknummers TBS P21/426 respectievelijk TBS P22/168 van de kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden als bedoeld in artikel 67 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie (hierna: de penitentiaire kamer) in het hoger beroep van de verdachte tegen die uitspraken van de rechtbank.
Ondertussen is de verdachte in de onderliggende strafzaak in hoger beroep vrijgesproken van verkrachting en veroordeeld voor andere geweldsdelicten tot een gevangenisstraf en tot TBS met verpleging van overheidswege.
1) of de (executie)rechter – terwijl sprake is van een niet onherroepelijk opgelegde, dadelijk uitvoerbaar verklaarde TBS met voorwaarden – de bevoegdheid heeft om te beslissen dat de verdachte alsnog van overheidswege zal worden verpleegd, [1] en
2) of al in dat stadium de TBS kan worden verlengd. [2] In dit arrest beantwoordt de Hoge Raad de onder 1 en 2 genoemde vragen en gaat hij ook in op een aantal rechtsgevolgen van een vernietiging in hoger beroep van het vonnis van de rechtbank in de onderliggende strafzaak waarbij een dadelijk uitvoerbare TBS met voorwaarden is opgelegd. [3]
4.De overwegingen van het hof
5.Juridisch kader
Wettelijke en verdragsrechtelijke bepalingen
De termijn van zes maanden omvat de periode waarin de verdachte vervangende hechtenis heeft ondergaan in verband met een in eerste aanleg opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel die dadelijk uitvoerbaar is verklaard. Daarbij geldt dat in de executiefase moet worden bepaald welk deel van die zes maanden vervangende hechtenis al ten uitvoer is gelegd en welk deel daarvan nog resteert.
Aanleiding voor de toepassing van de bevoegdheid van artikel 6:6:6 Sv Pro kan erin zijn gelegen dat in hoger beroep een ander oordeel dan dat van de rechtbank over de oplegging van straf of maatregel valt te verwachten, maar kan ook anderszins verband houden met de specifieke omstandigheden van het geval. De procedure van artikel 6:6:6 Sv Pro vormt daarmee een waarborg met het oog op de (mogelijk) verstrekkende gevolgen die dadelijke uitvoerbaarheid heeft voor de verdachte.
6.Aan de beoordeling van de cassatiemiddelen voorafgaande beschouwing
Dadelijke uitvoerbaarheid van TBS met voorwaarden als uitzondering op de hoofdregel
7.Beoordeling van het eerste en het derde cassatiemiddel
8.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
9.Beoordeling van het vierde cassatiemiddel
10.Samenvatting
11.Beslissing
26 november 2024.