Conclusie
1.[verweerder 1] (hierna: ‘ [verweerder 1] ’)
[verweerster 2](hierna: ‘ [verweerster 2] ’)
1.Feiten
1.a. Zijn er nadat u het perceel in eigendom hebt gekregen nog andere, eventuele aanvullende notariële of onderhandse akten opgesteld met betrekking tot het perceel?” met “
nee” beantwoord. De vragen 1.b. (“
Zijn er voor zover u bekend mondelinge of schriftelijke afspraken gemaakt over aangrenzende percelen? (Denk hierbij aan regelingen voor het gebruik van een poort, schuur, garage, tuin, overeenkomsten met meerdere buren, toezeggingen, erfafscheidingen.)”), 1.c. (“
Wijken de huidige terreinafscheidingen volgens u af van de kadastrale eigendomsgrenzen? (Denk hierbij ook aan strookjes grond van de gemeente die u in gebruik heeft, of grond van u die gebruikt wordt door de buren.)”) en 1.d. (“
Is een gedeelte van uw pand, schuur, garage of schutting gebouwd op grond van de buren of andersom?”) heeft [eiser] onbeantwoord gelaten. Bij vraag 1.e., “
Heeft u grond van derden in gebruik?”, heeft [eiser] ‘ja’ omcirkeld. De vervolgvraag “
Zo ja, welke?” heeft hij beantwoord met: “
Kadastraal van buren: was aanwezig situatie in 1990 bij aankoop”.
Alle kijkers en zeker aan hen (de kopers) is door mij gemeld dat de ruimte aan de linkerzijde van de woning slecht[s]
1,5 meter bedraagt en dat de houten aanbouw (fietsenhok) dus een verkeerd beeld geeft van het “gekochte”. De toen huidige eigenaresse van [a-straat 2] had daar geen moeite mee, maar ik heb daarbij gezegd dat als de woning op [a-straat 2] in handen zou komen van een nieuwe eigenaar, dat dan gevraagd zou kunnen worden om de erfgrens weer te gaan respecteren. Dit is meer dan eens aan hen verteld. Zij zijn zeker 3 keer bij de woning geweest, voordat zij de koopakte hebben getekend, ook nog in het gezelschap van een aankoop makelaar (die daar dus ook op is gewezen).(...)”
Over een persoonlijk recht dat de verkoper, nu jullie buurman, had is in mijn bijzijn nooit gesproken. Evenmin is er in mijn bijzijn over het verwijderen van het schuurtje gesproken.
op het pad links van ons huis, [a-straat 1] , als je naar de voordeur kijkt stond een heg. In gezamenlijk overleg door mijn vader en [buurman] ( [a-straat 2] ), is deze heg weg gehaald en er een garage/schuur gebouwd wel zo dat het weg gehaald kan worden indien nodig, [buurman] en mijn vader hebben dit samen besloten en [buurman] heeft ook mee gewerkt aan de totstandkoming,(...).
2.Procesverloop
In eerste aanleg
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Gemeente Landgraafheeft Uw Raad geoordeeld dat die mogelijkheid pas van belang is indien er – in het bijzonder voor de rechthebbende – objectieve aanwijzingen zijn om de machtsuitoefening door de pretense bezitter ook daadwerkelijk als die van een contractueel of zakelijk gerechtigde gebruiker aan te merken. De rechthebbende moet zich daarop beroepen. [27] Bij die objectieve aanwijzingen kan gedacht worden aan het betalen van een geldsom, of het zijn van huurder (of anderszins houder) van naastgelegen grond. [28]
res nulliusin bezit neemt, kan volstaan met een eenvoudige vorm van occupatie: een voor anderen zichtbare uitoefening van macht over de zaak waaruit de pretentie van eigendom blijkt. Wanneer de zaak reeds bij een ander in bezit is, zal daarnaast duidelijk moeten zijn dat de macht van de oorspronkelijke bezitter over de zaak is geëindigd. [30]
Gemeente Heusden [34] als volgt samengevat:
subonderdeel 1.1is het oordeel van het hof dat op [eiser] een verzwaarde betwistplicht rust rechtens onjuist, omdat het te hoge eisen stelt aan de motivering van de betwisting van [eiser] .
subonderdeel 1.2is het oordeel dat op [eiser] een verzwaarde betwistplicht rust onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd. Dat, zoals het hof in rov. 5.5. heeft vastgesteld, [eiser] veel meer van de feitelijke situatie weet dan [verweerder 1] en [verweerster 2] , volgt, anders dan het hof kennelijk heeft aangenomen, volgens het subonderdeel op zichzelf nog niet uit de omstandigheid dat [verweerder 1] en [verweerster 2] pas in 2020 eigenaar geworden zijn, terwijl [eiser] sinds 1990 op de bewuste plek woont. Dit oordeel is ook onbegrijpelijk in het licht van de onbetwiste stellingen van [eiser] dat (i) de afspraken die hij met [betrokkene 1] heeft gemaakt over het gebruik van de litigieuze strook grond ten behoeve van de aanbouw niet op papier zijn vastgelegd, (ii) hij de ontstaansgeschiedenis van de schuur niet goed kent en hij wat dat betreft niet in een andere situatie dan [verweerder 1] en [verweerster 2] zelf verkeert en (iii) [betrokkene 1] vóór de procedure is overleden, klaagt het subonderdeel. [36]
bovendien twee petten op heeft” (rov. 5.5.). Indien dit slechts een nadere onderbouwing is van het oordeel van het hof dat [eiser] veel meer van de feitelijke situatie weet dan [verweerder 1] en [verweerster 2] , dan is deze overweging volgens het subonderdeel niet concludent. Uit het enkele feit dat [eiser] eerst dertig jaar lang als bewoner van [a-straat 1] heeft gebruikgemaakt van de aanbouw en hij zich nu als bewoner van [a-straat 2] beroept op de eigendom van de strook grond volgt volgens het subonderdeel niet (zonder meer) dat [eiser] veel meer van de feitelijke situatie weet dan [verweerder 1] en [verweerster 2] , althans dat [eiser] over relevant bewijsmateriaal beschikt dat hij in het geding had kunnen brengen. Als het hof hier heeft bedoeld dat [eiser] na de verkoop van het perceel [a-straat 1] en de koop van het perceel [a-straat 2] een ander belang heeft gekregen bij het antwoord op de vraag of sprake was van bezit van de litigieuze strook grond, heeft volgens het subonderdeel te gelden dat dit op zichzelf wel juist is, maar niet relevant voor het antwoord op de vraag of een verzwaarde betwistplicht kan worden opgelegd.
Menzis en het Zorginstituutaf te leiden dat er sprake moet zijn van een (niet met stelplicht en bewijslast belaste) partij die beschikt over bijzondere, niet voor anderen toegankelijke gegevens die van belang zijn voor de beoordeling van de stellingen van de partij met stelplicht en bewijslast. [40]
Een belangrijk maar ook wel voor de hand liggend gezichtspunt is, dat de wederpartij ook werkelijk over de relevante informatie beschikt of kan beschikken en de andere partij niet. Hierbij kan de aard van de achterliggende rechtsverhouding nog een versterkende rol spelen.”
Een ander belangrijk gezichtspunt is dat de andere partij het feit of de feiten, voor de betwisting waarvan een verzwaarde motiveringsplicht van de wederpartij wordt bepleit, wel al in zekere mate aannemelijk heeft gemaakt. In die aannemelijkheid moet nl. mede de rechtvaardiging worden gezocht om(…)
van de wederpartij te kunnen verlangen dat hij de andere partij steun biedt bij de uitvoering van de op haar rustende stel- en bewijslast en daarmee voor haar het aan die last verbonden risico verlicht.”
betwisting, naar haar aard een reactie op een stelling van de wederpartij. De mate waarin aan de motivering van de betwisting hogere eisen kunnen worden gesteld, hangt – ik zou zeggen: uiteraard – samen met de mate van concretisering en onderbouwing van de betwiste stellingen. [47]
Daartoe overweegt het hof dat [eiser] veel meer van de feitelijke situatie weet dan [verweerder 1] c.s. [verweerder 1] c.s. is pas in 2020 eigenaar geworden, terwijl [eiser] sinds 1990 op de bewuste plek woont en bovendien twee petten op heeft. Hij heeft eerst 30 jaar lang vanuit de positie van niet-rechthebbende ( [a-straat 1] ) gebruik gemaakt van de aanbouw en beroept zich nu als rechthebbende ( [a-straat 2] ) op de eigendom van de strook grond.” [48]
bovendien” eerst dertig jaar lang als bewoner van [a-straat 1] gebruik heeft gemaakt van de strook grond die op het perceel [a-straat 2] lag en zich nu als eigenaar van [a-straat 2] op zijn eigendomsrecht van de strook grond beroept.
het daarvoor vereiste bezit van de strook grond” (rov. 5.3.). Strikt genomen is het voor verkrijging op de voet van art. 3:105 BW Pro (waarover het in deze zaak gaat) vereiste bezit het bezit van degene die zich op deze verkrijging beroept (in deze zaak zijn dat [verweerder 1] en [verweerster 2] ) op het moment van het verstrijken van de verjaringstermijn (dat is de termijn van twintig jaar die geldt voor verjaring van de revindicatie). Ik denk dat het hof dit bezit niet heeft bedoeld. Voor zover het hof toch op
dit bezitzou hebben gedoeld, slagen de klachten, omdat inderdaad onbegrijpelijk is waarom [eiser] meer van dit bezit van [verweerder 1] en [verweerster 2] zou weten dan [verweerder 1] en [verweerster 2] zelf. Zoals gezegd: dit lijkt me niet de juiste lezing van het bestreden arrest.
de voltooiingvan de bevrijdende verjaring van de revindicatie, maar op het antwoord op de vraag of [eiser] in 1990 bezitter van de strook grond is geworden zodat daarmee de in dit verband voor verkrijging relevante verjaringstermijn is
begonnen. In het licht van de memorie van antwoord van [verweerder 1] en [verweerster 2] (in het bijzonder randnummers 5. en 31.) begrijp ik dat de vraag die het hof heeft willen beantwoorden is of [eiser] toen hij in 1990 eigendom van [a-straat 1] verkreeg ook bezitter van de strook grond is geworden, waardoor het bezit van de oorspronkelijke bezitter (vermoedelijk: de toenmalige eigenares van [a-straat 2] , [betrokkene 1] ) is tenietgedaan en de verjaringstermijn van de revindicatie is gaan lopen.
twee petten op heeft” (rov. 5.5.). De hoeveelheid ‘petten’ heeft immers geen invloed op zijn informatiepositie.
subonderdeel 2.2, dat kort gezegd de strekking heeft dat het oordeel dat [eiser] niet aan de op hem rustende verzwaarde motiveringsplicht heeft voldaan onbegrijpelijk is, althans onvoldoende gemotiveerd. In dat subonderdeel is (net als in subonderdeel 1.2) verwezen naar wat [eiser] ter onderbouwing van zijn betwisting heeft aangevoerd. [eiser] voert in subonderdeel 2.2 aan dat hij alle gegevens waarover hij (redelijkerwijs) kon beschikken ter onderbouwing van zijn betwisting van het bezit van de litigieuze strookgrond in het geding gebracht. Gelet hierop is het oordeel van het hof dat [eiser] niet aan de hem opgelegde verzwaarde motiveringsplicht heeft voldaan, onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd, klaagt het subonderdeel.
wanneerde toenmalige eigenaar van [a-straat 2] het bezit heeft verloren en – in het verlengde daarvan – evenmin op welk moment de vordering tot beëindiging van die toestand is verjaard.
uiterlijk op dat momenthet bezit van de strook grond heeft verloren (en dit bezit niet heeft herkregen) zou leiden tot de vaststelling dat de extinctieve verjaringstermijn van haar revindicatie is verstreken na twintig jaar, dus uiterlijk in 2010. [51] Wie toen bezitter was van de strook grond werd op dat moment ook eigenaar door de werking van art. 3:105 BW Pro. Als komt vast te staan dat de verjaringstermijn sinds 1990 ononderbroken heeft gelopen en dat [eiser] in 2010 bezitter was, staat daarmee vast dat hij toen eigenaar van de strook grond is geworden. [52]