ECLI:NL:HR:2012:BW5324

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 augustus 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/00459
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:102 BWArt. 3:105 BWArt. 3:106 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verkrijging eigendom door verjaring van rechtsvordering tot beëindiging bezit zonder vereiste goede trouw

In deze zaak gaat het om de verkrijging van eigendom van een strook grond door verjaring van de rechtsvordering tot beëindiging van bezit. Eiser c.s. zijn sinds 1999 eigenaar van een perceel met een tuin die grenst aan een perceel van verweerder c.s. Op dat perceel staat een loods met een muur die in 1981 is gebouwd, waarbij een strook grond tussen de muur en de kadastrale erfgrens in gebruik is als tuin door eiser c.s.

De rechtbank had in eerste aanleg geoordeeld dat eiser c.s. door verkrijging van eigendom via verjaring eigenaar waren geworden van de strook grond, maar het hof vernietigde dit en oordeelde dat de verjaring niet was voltooid omdat eiser c.s. bij verkrijging van het perceel in 1999 de registers hadden geraadpleegd en wisten dat de strook grond niet tot hun perceel behoorde, waardoor zij te kwader trouw waren en de verjaring niet konden voortzetten.

De Hoge Raad oordeelt dat art. 3:105 BW Pro bepaalt dat ook een bezitter die niet te goeder trouw is eigendom kan verkrijgen door verjaring van de rechtsvordering tot beëindiging bezit, zonder dat goede trouw van opvolgende bezitters vereist is. Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het gerechtshof te 's-Gravenhage voor verdere behandeling en beslissing.

Uitkomst: Het arrest van het hof Amsterdam wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het gerechtshof te 's-Gravenhage voor verdere behandeling.

Uitspraak

10 augustus 2012
Eerste Kamer
11/00459
DV/LZ
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [Eiser 1],
2. [Eiseres 2],
beiden wonende te [woonplaats],
EISERS tot cassatie,
advocaat: mr. R.F. Thunnissen,
t e g e n
1. [Verweerder 1],
2. [Verweerster 2],
3. [Verweerder 3],
4. [Verweerster 4],
allen wonende te [woonplaats],
5. [Verweerder 5],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDERS in cassatie,
advocaat: mr. D.Th.J. van der Klei.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] c.s. en [verweerder] c.s.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 98419/HA ZA 07-843 van de rechtbank Alkmaar van 9 januari 2008, 4 juni 2008 en 2 september 2009;
b. het arrest in de zaak 200.050.356/01 van het gerechtshof te Amsterdam van 26 oktober 2010.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerder] c.s. hebben geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring dan wel verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.B. Rank-Berenschot strekt tot vernietiging en verwijzing.
De advocaat van [verweerder] c.s. heeft bij brief van 18 mei 2012 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van de middelen
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) [Eiser] c.s. zijn sinds 1999 eigenaar van het perceel [a-straat 1] te [plaats]. In de periode van 1978 tot 1999 woonde [betrokkene 1] op dit adres.
(ii) De tuin van [eiser] c.s. grenst aan het perceel [b-straat 1], waarvan [verweerder] c.s. sinds 22 mei 2007 eigenaar zijn.
(iii) Op het perceel van [verweerder] c.s. bevindt zich een loods. Deze staat op enkele meters afstand van de kadastrale erfgrens met een aantal percelen aan de [a-straat], waaronder nummer [1]. In 1981 is evenwijdig aan deze erfgrens - in het verlengde van de loods - een muur gebouwd ter hoogte van [a-straat 1]. De muur van de loods - en in het verlengde daarvan de in 1981 gebouwde muur - staat op enkele meters afstand van de kadastrale erfgrens.
(iv) De strook grond van enkele meters tussen de muur in het verlengde van de loods en de kadastrale grens met [a-straat 1] is als tuin in gebruik bij [eiser] c.s. sinds zij in 1999 in dat pand zijn gaan wonen.
3.2 [Eiser] c.s. vorderen in dit geding in conventie dat de rechtbank voor recht verklaart dat door verkrijgende verjaring voornoemde strook grond door [eiser] c.s. in eigendom is verkregen en dat de rechtbank als grenslijn aanwijst de lijn lopend in het verlengde van de erfgrens tussen de [a-straat 1] en [2] tot tegen de thans nog aanwezige muur, vandaar lopend tegen die muur tot aan het perceel [c-straat 1]. [Verweerder] c.s. vorderen in reconventie dat de rechtbank voor recht verklaart dat de strook grond eigendom is van [verweerder] c.s. en dat zij [eiser] c.s. gelast de strook grond te ontruimen en vrij ter beschikking te stellen. De rechtbank heeft de vordering in conventie toegewezen en die in reconventie afgewezen.
3.3 Het hof heeft de vonnissen van de rechtbank vernietigd en [eiser] c.s. bevolen de strook grond te ontruimen en ter vrije beschikking te stellen van [verweerder] c.s. Het heeft daartoe overwogen, kort samengevat, dat ingevolge art. 3:102 lid 2 BW Pro de verkrijger onder bijzondere titel alleen dan de tijd die het bezit bij zijn rechtsvoorganger heeft geduurd bij zijn eigen bezit kan optellen, indien de verkrijger bij zijn verkrijging te goeder trouw was (rov. 5.4). Het hof heeft veronderstellenderwijs aangenomen dat [betrokkene 1] in 1981, het jaar waarin de muur is geplaatst, het bezit van de strook grond heeft verworven (rov. 5.5). Het hof heeft voorts - in cassatie onbestreden - als vaststaand aangenomen dat [eiser] c.s. bij de verkrijging van de eigendom van het perceel [a-straat 1] in 1999 de registers hebben geraadpleegd en daarbij hebben opgemerkt dat de strook grond niet tot het perceel behoorde, met als consequentie dat zij, als bezitter te kwader trouw, de lopende verjaring niet hebben voortgezet (rov. 5.6). Aangezien in 1999 een nieuwe termijn van twintig jaar voor verjaring is aangevangen en deze ten tijde van de aanvang van de procedure in 2007 nog niet was voltooid, faalt het beroep van [eiser] c.s. op verjaring, aldus nog steeds het hof (rov. 5.7).
3.4 Het eerste, het derde, het vierde en het vijfde middel klagen in de kern dat het hof ten onrechte art. 3:102 lid 2 BW Pro heeft toegepast, nadat het eerder (in rov. 5.2) had vastgesteld dat [eiser] c.s. zich beroepen op verkrijging op de voet van art. 3:105 en Pro 3:106 BW.
Die klacht is gegrond. Ingevolge art. 3:105 kan Pro ook de bezitter die niet te goeder trouw is de eigendom van een zaak verkrijgen. Hiervoor is, behoudens het in lid 2 bepaalde, slechts vereist dat hij de zaak bezit op het tijdstip waarop de verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit wordt voltooid. Voor de voltooiing van de verjaring is nodig dat de toestand dat een ander dan de rechthebbende bezitter is, gedurende de gehele verjaringstermijn heeft voortgeduurd. Daarbij is niet van belang of opvolging in het bezit heeft plaatsgevonden, en dus evenmin of opvolgende bezitters te goeder trouw in de zin van art. 3:102 lid 2 waren Pro.
3.5 Het voorgaande brengt mee dat het tweede middel geen behandeling behoeft.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 26 oktober 2010;
verwijst het geding naar het gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing;
veroordeelt [verweerder] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] c.s. begroot op € 465,99 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris;
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren J.C. van Oven, C.A. Streefkerk, A.H.T. Heisterkamp en M.A. Loth, en in het openbaar uitgeproken door de raadsheer J.C. van Oven op 10 augustus 2012.