ECLI:NL:PHR:2024:871

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
3 september 2024
Publicatiedatum
31 augustus 2024
Zaaknummer
22/01978
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 511f SvArt. 359 lid 3 SvArt. 511g lid 2 SvArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling motivering schatting wederrechtelijk verkregen voordeel in ontnemingszaak

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 24 mei 2022 het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland bevestigd, waarbij het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene werd vastgesteld op €109.570,47. De betrokkene stelde cassatieberoep in tegen de motivering van deze schatting.

De betrokkene voerde aan dat de schatting ontoereikend was gemotiveerd, met name omdat de herkomst van de geldbedragen niet vast te stellen zou zijn en het transactieoverzicht van het Wirex-account ontbrak. Het hof oordeelde echter dat de politie een aannemelijke herkomst van de gelden had geschetst die strookt met de verklaringen van de betrokkene en de overige bewijsmiddelen.

De Hoge Raad bevestigt dat de rechter volstaat met verwijzing naar het financieel rapport indien de betwisting niet voldoende gemotiveerd is. Omdat de verdediging geen onderzoekswensen had ingediend en de betwisting onvoldoende was, is de motivering van het hof niet onbegrijpelijk. Het cassatieberoep wordt verworpen. Tevens wordt opgemerkt dat de redelijke termijn is overschreden, maar dit leidt niet tot cassatie.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het wederrechtelijk verkregen voordeel van €109.570,47 blijft gehandhaafd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer22/01978 P

Zitting3 september 2024
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[betrokkene] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,
hierna: de betrokkene

Inleiding

1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 24 mei 2022 het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 12 mei 2021 met aanvulling van gronden bevestigd. Bij dat vonnis is het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 109.570,47 en aan de betrokkene een betalingsverplichting van datzelfde bedrag opgelegd.
2. Er bestaat samenhang met de zaak 22/01979 (de strafzaak tegen de betrokkene). In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. C.H.J. van Dooijeweert, advocaat te Barneveld, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
4. Het middel klaagt dat de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel ontoereikend is gemotiveerd.

De hoofdzaak

5. In de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, de betrokkene bij arrest van 24 mei 2022 veroordeeld ter zake van, samengevat, (1) het als medepleger beschikbaar stellen en verhandelen van een grote hoeveelheid inloggegevens en (2) het medeplegen van gewoontewitwassen van het daarmee verdiende geld.

De ontnemingszaak

6. In het bestreden arrest heeft het hof onder het kopje ‘aanvulling van gronden’ onder meer het volgende overwogen:
“(…)
Het hof stelt vast dat de rechtbank in de beslissing van 12 mei 2021 in de kern heeft aangesloten bij en verwezen naar het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel. In dat rapport heeft de politie op basis van wettige bewijsmiddelen, waarnaar telkens onder vermelding van de paginanummering expliciet is verwezen, gevolgtrekkingen gemaakt die hebben geleid tot de berekening van het geschatte wederrechtelijk voordeel zoals door de rechtbank in de beslissing van 12 mei 2021 is opgenomen.
De vraag die het hof heeft te beantwoorden is of hetgeen daartegen door en namens verdachte is aangevoerd moet worden aangemerkt als een voldoende gemotiveerde betwisting van de berekening van de politie, om welke reden nadere eisen gesteld zouden mogen worden aan de motivering van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof beantwoordt die vraag ontkennend. Namens verdachte is er (slechts) op gewezen dat de door de politie gestelde herkomst van de geldbedragen niet is vast te stellen. Daarmee gaat de raadsvrouw voorbij aan het feit dat de politie in het rapport een aannemelijke herkomst heeft geschetst. Die herkomst past bij hetgeen daaromtrent uit de bewijsmiddelen naar voren komt en past bovendien ook bij hetgeen verdachte over zijn inkomsten van zijn werkzaamheden voor [A] ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verklaard, een en ander zoals opgenomen in de beslissing van de rechtbank op pagina 3. Door en namens verdachte is – ook ter terechtzitting in hoger beroep – geen andere verklaring voor deze inkomsten gegeven. In dat geval kan naar het oordeel van het hof worden volstaan met een verwijzing naar de berekening in een rapport berekening wederrechtelijk voordeel.
Voor wat betreft het ontbreken van het volledige door de politie gevorderde transactieoverzicht van het Wirex-account merkt het hof tot slot het volgende op. Indien en voor zover de verdediging een uitputtende controle had willen uitvoeren van de bevindingen die de politie in dat verband heeft vastgelegd in het wettige bewijsmiddel waarop het rapport berekening wederrechtelijk voordeel op dat punt is gebaseerd, had het eerst en vooral op de weg van de verdediging gelegen om een en ander als onderzoekswens in te dienen in aanloop naar de terechtzitting in hoger beroep. De verdediging heeft op verzoek van het hof meegedeeld dat zij geen onderzoekswensen had. Het ontbreken van dit volledige transactieoverzicht brengt niet met zich dat de bevindingen van de politie in het rapport niet zijn gebaseerd op een wettig bewijsmiddel, nu het rapport in dat verband verwijst naar de analyse die de politie heeft uitgevoerd met betrekking tot die gegevens. Voor zover de raadsvrouw heeft willen betogen dat een en ander in de weg staat aan het volgen van rapport met betrekking tot de Wirex-account, stelt zij een eis die het recht niet kent. Ten overvloede merkt het hof daarbij nog op dat verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verklaard dat hij voor zijn werkzaamheden voor [A] ook geld ontving op het Wirex-account.
Naar het oordeel van het hof dient de beslissing van de rechtbank van 12 mei 2021 met aanvulling van de bovenstaande gronden te worden bevestigd.”

Het middel

7. Het middel behelst de klacht dat het hof de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel ontoereikend heeft gemotiveerd. Het hof heeft hetgeen namens de betrokkene is aangevoerd met betrekking tot het wederrechtelijk verkregen voordeel niet aangemerkt als een voldoende gemotiveerde betwisting van de berekening van de politie en heeft aldus volstaan met een verwijzing naar de berekening in het financieel rapport, terwijl een en ander volgens de steller van het middel wel degelijk gemotiveerd is betwist.

Het beoordelingskader

8. Bij de beoordeling van het middel dient het volgende te worden vooropgesteld. Op grond van artikel 511f Sv kan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel slechts worden ontleend aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen. Artikel 359 lid 3 Sv Pro is ingevolge artikel 511g lid 2 Sv (in hoger beroep) van overeenkomstige toepassing op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Dat houdt in dat de beslissing op die vordering de bewijsmiddelen moet vermelden waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend met weergave van de inhoud daarvan, voor zover bevattende de voor die schatting redengevende feiten en omstandigheden. [1]
9. Als wettig bewijsmiddel wordt in ontnemingszaken veelal gebruik gemaakt van een (in het kader van een strafrechtelijk financieel onderzoek opgesteld) financieel rapport waarin een berekening is gemaakt van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat er in beginsel geen rechtsregel aan in de weg staat om de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitsluitend op de inhoud van een dergelijke rapportage te doen berusten. [2]
10. Wat betreft de aan de motivering van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel te stellen eisen maakt de Hoge Raad onderscheid tussen de volgende twee situaties:
“Indien en voor zover een in het financieel rapport gemaakte gevolgtrekking is ontleend aan de inhoud van een of meer wettige, voldoende nauwkeurig in dat rapport aangeduide bewijsmiddelen en die gevolgtrekking - blijkens vaststelling door de rechter - door of namens de betrokkene niet of onvoldoende gemotiveerd is betwist, kan de rechter bij de opgave van de bewijsmiddelen waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend, volstaan met de vermelding van (het onderdeel van) het financieel rapport als bewijsmiddel waaraan de schatting (in zoverre) is ontleend en het weergeven van die gevolgtrekking uit het rapport.
Indien door of namens de betrokkene zo een gevolgtrekking wel voldoende gemotiveerd is betwist, dienen aan de motivering van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel nadere eisen te worden gesteld. In dat geval zal de rechter in zijn overwegingen met betrekking tot die schatting moeten motiveren op grond waarvan hij ondanks hetgeen door of namens de betrokkene tegen die gevolgtrekking en de onderliggende feiten en omstandigheden is aangevoerd, die gevolgtrekking aanvaardt. Indien de rechter de aan het financieel rapport of aan andere wettige bewijsmiddelen ontleende feiten en omstandigheden, die hij bij zijn oordeel daaromtrent betrekt en die redengevend zijn voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel, in de overwegingen (samengevat) weergeeft onder nauwkeurige vermelding van de vindplaatsen daarvan, is aan de uit art. 359, derde lid, Sv voortvloeiende verplichting voldaan.” [3]
11. Uit de bovenstaande overwegingen van de Hoge Raad volgt dat de mate van motivering van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel die in een specifiek geval van de ontnemingsrechter wordt vereist, afhankelijk is van de vraag of een in het financieel rapport gemaakte gevolgtrekking door of namens de betrokkene voldoende gemotiveerd is betwist. Indien die gevolgtrekking niet (voldoende gemotiveerd) wordt betwist, kan de rechter immers volstaan met de enkele vermelding van (het onderdeel) van het financieel rapport waaraan de schatting is ontleend. In de situatie dat de gevolgtrekking echter wel voldoende gemotiveerd wordt aangevochten, gelden nadere motiveringseisen. [4] In dat geval zal de rechter immers moeten uitleggen op grond waarvan hij – ondanks hetgeen door of namens de betrokkene tegen die gevolgtrekking en de onderliggende feiten en omstandigheden is aangevoerd – de gevolgtrekking toch aanvaardt. [5]
12. De rechter moet dus kenbaar maken of een gevolgtrekking door of namens de betrokkene voldoende gemotiveerd is aangevochten. Dit oordeel wordt in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid getoetst. De indringendheid van die toets is afhankelijk van de inhoud van de in cassatie opgeworpen motiveringsklachten. [6]

De beoordeling van het middel

13. Het hof heeft – door de beslissing van de rechtbank te bevestigen – het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 109.570,47. Het hof heeft daarbij expliciet tot uitdrukking gebracht dat de raadsvrouw de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel niet voldoende gemotiveerd heeft betwist.
14. Uit de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 10 mei 2022 gehechte pleitnota blijkt dat hetgeen door de verdediging met betrekking tot het wederrechtelijk verkregen voordeel is aangevoerd er in de kern op neerkomt dat de herkomst van het merendeel van de geldbedragen onduidelijk is en dat dus niet vastgesteld kan worden dat dit inkomsten zijn geweest van [A] . Verder heeft de verdediging opgemerkt dat wat betreft de geldbedragen op het Wirex-account het transactieoverzicht ontbreekt, waardoor dat deel van het financieel rapport niet controleerbaar is.
15. Het hof heeft dit verweer verworpen en daartoe overwogen dat de politie in het financieel rapport een aannemelijke herkomst van de geldbedragen heeft geschetst. Die herkomst past bij hetgeen uit de bewijsmiddelen naar voren komt en bij de verklaring die de betrokkene ter terechtzitting in eerste aanleg heeft afgelegd. De betrokkene heeft ook geen andere verklaring voor deze inkomsten gegeven. Verder heeft het hof overwogen dat het financieel rapport wat betreft de geldbedragen die zijn binnengekomen op het Wirex-account verwijst naar de analyse die de politie heeft uitgevoerd, waardoor het ontbreken van het volledige transactieoverzicht niet belet het rapport op dit punt te volgen. Het hof heeft er daarbij tevens op gewezen dat de verdediging geen onderzoekswensen heeft ingediend aangaande de bevindingen van de politie in verband met het Wirex-account.
16. Het oordeel van het hof dat hetgeen namens de betrokkene is aangevoerd niet voldoende gemotiveerd is betwist, acht ik in het licht van het bovenstaande niet onbegrijpelijk. Het hof was derhalve niet gehouden tot een nadere motivering.
17. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

Slotsom

18. Het middel faalt en kan met de aan artikel 81 RO Pro ontleende motivering worden afgedaan.
19. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Daarmee is de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro overschreden. Tot cassatie behoeft dit echter niet te leiden. Immers, ook in de strafzaak die met deze ontnemingszaak samenhangt (22/01979), is de redelijke termijn in de cassatiefase overschreden. In de strafzaak heb ik om die reden geadviseerd tot strafvermindering. Gelet daarop kan in deze ontnemingszaak worden volstaan met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden. [7]
20. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie onder meer HR 9 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BT6251, en HR 6 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2765.
2.Zie HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BV9087; HR 9 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BT6251; HR 4 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX8746; HR 12 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1163; HR 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:184; HR 3 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:8; HR 4 juli 2023, ECLI:NL:HR:2023:1012.
3.Zie onder meer HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BV9087, rov. 3.3.5. en 3.3.6.
4.Vgl. HR 10 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3255.
5.Zie hierover de noot van Borgers onder HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BV9087,
6.Zie ook voetnoot 62 en 63 bij mijn conclusie van 31 oktober 2023, ECLI:NL:PHR:2023:964, voor HR 12 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1690.
7.HR 19 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ3575; HR 12 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3621.