ECLI:NL:HR:2010:BJ3575
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J. de Hullu
- W.M.E. Thomassen
- W.F. Groos
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt vaststelling wederrechtelijk verkregen voordeel lager dan door verdediging gesteld
In deze zaak stond de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel centraal. De verdediging stelde dat het voordeel hooguit € 483.799,- bedroeg, gebaseerd op fiscale aanslagen en een vermogensvergelijking. Het hof had echter een lager bedrag van € 379.954,25 vastgesteld op basis van schattingen aan de hand van verzamellijsten, verklaringen en andere bewijsstukken.
De verdediging verzocht om nader onderzoek, met name een vermogensvergelijking, maar het hof wees dit af. De Hoge Raad oordeelde dat dit verzoek geen belang meer had omdat het hof een lager bedrag had vastgesteld dan het door de verdediging genoemde maximum.
Daarnaast constateerde de Hoge Raad een overschrijding van de redelijke termijn, maar zag hier geen aanleiding toe om rechtsgevolgen te verbinden. Het cassatieberoep werd verworpen en de uitspraak van het hof bleef in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde het lagere door het hof vastgestelde bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel.