Conclusie
1.Inleiding
2.Procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
[…] / […]uit 1982 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat met het oog op de belangen van de wederpartij, de onwenselijkheid om voor de periode na de eerste rechtsdag het toezicht op de voortgang van de procedure aan de rechter te onttrekken, en het grote gewicht dat in deze materie moet worden gehecht aan het belang van de rechtszekerheid, de niet-tijdige inschrijving ter rolle in beginsel leidt tot niet-ontvankelijkheid van de vordering of het rechtsmiddel waarop de dagvaarding betrekking heeft. Hierop moet echter volgens het arrest een uitzondering worden aanvaard voor het geval dat de wederpartij met bekwame spoed en met inachtneming van de voor dagvaarding geldende termijnen opnieuw wordt opgeroepen, omdat niet valt in te zien in welk in redelijkheid te respecteren belang de wederpartij, aan wie de dagvaarding tijdig was uitgebracht, zou kunnen zijn benadeeld, doordat haar de nieuwe rechtsdag kort na de oorspronkelijke bij exploot is aangezegd. Aan de eis van bekwame spoed is in het algemeen voldaan wanneer deze oproeping binnen veertien dagen na de oorspronkelijke rechtsdag wordt uitgebracht, aldus het arrest. [9]
verwachtmag worden, niet dat sprake zou zijn van een
plicht. De Hoge Raad gaat er vervolgens bovendien uitdrukkelijk van uit dat deze ‘verwachting’ in de praktijk vaak niet valt waar te maken (‘doorgeleiding zal echter in de praktijk niet altijd dezelfde dag (kunnen) plaatsvinden’). De beschikking redt de dwalende verzoeker dus uitsluitend door de ontvangst op de verkeerde plek voor dit bijzondere geval aan te merken als een ontvangst op de goede plek. [24] Die ‘jurisprudentiële redding’ is begrijpelijk omdat anders een fout als deze in de verzoekschriftprocedure zonder meer fataal is, terwijl deze fout typisch behoort tot de soort van ‘bedrijfsgevallen’ waarvoor het procesrecht een herstelmogelijkheid of een vangnet dient te hebben, zo dat mogelijk is, én die ‘opvang’ in dit geval mogelijk is, omdat met de ontvangst bij het verkeerde gerecht naar behoren vaststaat dat de rechtsmiddeltermijn ‘gehaald’ is met een beroepschrift dat aan de eisen voldoet (want dat laatste wordt in dat geval genoegzaam geconstateerd met de ontvangst door het verkeerde gerecht).
ten eerstedat het hof heeft miskend dat de wet, bij gebreke van een uitdrukkelijke bepaling dat het exploot van dagvaarding moet worden ingediend bij de griffie van het juiste gerecht en een bedoeling van de wetgever van die strekking, ruimte biedt voor het herstel van de fout dat de dagvaarding bij de griffie van het verkeerde gerecht wordt ingediend, zonder dat de aanhangigheid vervalt. Art. 125 lid 5 Rv Pro mist in dit geval toepassing, omdat Logic Chemie de zaak tijdig heeft aangebracht bij een hof. Dat geldt in het bijzonder omdat het hof Den Haag pas op de aangezegde roldatum heeft opgemerkt dat de stukken bij het verkeerde hof zijn ingediend en de zaak op de rol heeft ingeschreven. Het hof heeft verder ten onrechte en op onbegrijpelijke wijze geoordeeld dat Logic Chemie geen nadeel heeft geleden ten gevolge van de omstandigheid dat het hof Den Haag de zaak heeft ingeschreven. Het subonderdeel klaagt
ten tweededat het hof heeft miskend dat er geen grond is waarop de aanhangigheid kan zijn komen te vervallen. Een redelijke, met de eisen van een goede procesorde verenigbare wetstoepassing brengt mee dat een bij een griffie van een verkeerd hof ingediende en ter rolle ingeschreven appeldagvaarding geacht wordt te zijn ingediend op het tijdstip van binnenkomst bij het andere, verkeerde gerecht. Het subonderdeel klaagt
ten derdedat het hof heeft miskend dat in het geval dat een zaak bij het verkeerde hof is aangebracht, dat hof de stukken met bekwame spoed dient door te sturen naar het juiste hof. Het juiste hof dient de zaak ter rolle in te schrijven en, indien de fout pas op de aangezegde roldatum wordt ontdekt, een nieuwe rechtsdag te bepalen waartegen de wederpartij wordt opgeroepen.
onderdeel IIbevatten uitsluitend voortbouwklachten. Deze klachten missen zelfstandige betekenis en behoeven daarom geen bespreking. [30]