Conclusie
1.Overzicht
2.De feiten en standpunten van partijen bij de Rechtbank
Feiten
3.Overwegingen van de Rechtbank en prejudiciële vraag
.Volgens de Rechtbank is het maar de vraag of de redenering van de Hoge Raad ook opgaat voor het premiedeel van de heffingskortingen omdat art. 12 Wfsv Pro alleen verwijst naar hoofdstuk 8 van de Wet IB en art. 2.7 Wet IB 2001 daar niet in staat.
4.Schriftelijke opmerkingen van belanghebbende en de Staatssecretaris
5.Wettelijk kader
belastbare inkomen uit werk en woningdat meer bedraagt dan € 21.043.
arbeidsinkomenmet een maximum van € 463, vermeerderd met:
arbeidsinkomenvoor zover dat meer bedraagt dan € 10.108, waarbij de som van de bedragen berekend op de voet van de onderdelen a en b niet meer bedraagt dan € 3.837, alsmede vermeerderd met:
arbeidsinkomenvoor zover dat meer bedraagt dan € 21.835, waarbij de som van de bedragen berekend op de voet van de onderdelen a, b en c niet meer bedraagt dan € 4.205, en verminderd, doch niet verder dan tot nihil, met:
arbeidsinkomenvoor zover dat meer bedraagt dan € 35.652.
arbeidsinkomenniet meer bedraagt dan € 35.652, bedraagt de arbeidskorting ten minste de volgens artikel 22a van de Wet op de loonbelasting 1964 toegekende arbeidskorting ter zake van het loon dat wordt belast volgens de loonbelastingtabellen, bedoeld in artikel 25, tweede lid, van die wet, maar maximaal het in de eerste volzin, onderdeel c, als tweede vermelde bedrag.
arbeidsinkomen, voor zover dat bij de belastingplichtige meer beloopt dan € 6.073, doch niet meer dan € 2.950.
verzamelinkomenvoor zover dat meer bedraagt dan € 37.970.”
de hoogte van het inkomstenbelastingdeelvan de arbeidskorting en de IACK wordt gebaseerd op het wereldarbeidsinkomen.” [36]
Algemene heffingskorting:Art. 2.4(1) Wet IB 2001 bepaalt expliciet dat het begrip ‘belastbare inkomen uit werk en woning’ voor niet-inwoners wordt bepaald volgens de regels van afdelingen 7.2 en 7.5 Wet IB 2001. Hierbij is in beginsel slechts het Nederlandse inkomen relevant, tenzij het gaat om een kwalificerende niet-inwoner voor wie art. 7.8(5) Wet IB 2001 van toepassing is.
Arbeidskorting en IACK:Het stelsel van de wet lijkt erop te wijzen dat voor de invulling van het begrip ‘arbeidsinkomen’ voor niet-inwoners gekeken moet worden naar hoofdstuk 7 van de Wet IB, en dat derhalve het Nederlandse inkomen relevant is. Dit is anders wanneer het gaat om een van de specifieke categorieën belastingplichtigen voor wie art. 7.2(18) of art. 7.8(5) Wet IB 2001 van toepassing zijn. In dat geval is het volgens de regels voor inwoners berekende arbeidsinkomen relevant.
Ouderenkorting:Uit art. 2.18 Wet IB 2001 vloeit voort dat het verzamelinkomen het gezamenlijke bedrag van (a) het inkomen uit werk en woning; (b) het inkomen uit aanmerkelijk belang en (c) het belastbare inkomen uit sparen en beleggen, verminderd met daarin begrepen te conserveren inkomen is. Voor niet-inwoners zijn de bepalingen in hoofdstuk 7 van de Wet IB 2001 relevant [37] en is in beginsel slechts het inkomen uit werk en woning in Nederland, het inkomen uit aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde vennootschap en het belastbare inkomen uit sparen en beleggen in Nederland van belang. Dit is anders wanneer het gaat om een kwalificerende niet-inwoner voor wie art. 7.8(5) Wet IB 2001 van toepassing is.
6.Jurisprudentie
Hoge Raad
7.Analyse
wetssystematische interpretatiemethode, de uit de context van een bepaling blijkende bedoeling van de wetgever. De economische kijk is meer een
rechtssystematische [98] benadering, die leunt naar een teleologische interpretatie, gericht op doel en strekking van het (internationale) sociale zekerheidsrecht als geheel. Wat hiervan zij, zowel de economische als de juridische kijk op het systeem bieden legitieme aanknopingspunten voor de uitleg van de wet.