Belanghebbende, woonachtig in België en werkzaam in Nederland, maakte bezwaar tegen aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2018 en 2019. De kern van het geschil betrof de berekening van de algemene heffingskorting en arbeidskorting, met name of deze gebaseerd moesten worden op het wereldinkomen of het in Nederland belastbare inkomen.
De rechtbank stelde vast dat het premiedeel van de arbeidskorting voor 2018 berekend moet worden aan de hand van het in Nederland belastbare inkomen, conform eerdere jurisprudentie en het Costa Rica-arrest van de Hoge Raad. Voor het belastingdeel en het premiedeel van de algemene heffingskorting dient echter het wereldinkomen als maatstaf te gelden, mede op grond van de non-discriminatiebepaling in het belastingverdrag Nederland-België.
De rechtbank verklaarde de beroepen gegrond, vernietigde de uitspraak op bezwaar voor 2019, en stelde de aanslagen IB/PVV voor 2018 en 2019 vast met aangepaste heffingskortingen. Tevens werd de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan belanghebbende. De uitspraak is openbaar en staat open voor hoger beroep bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch.