Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Procesverloop
2.De feiten en het geschil
De feiten
BNB2011/153 [8] – geoordeeld dat rekening mocht worden gehouden met het EU-salaris bij de vaststelling van de omvang van de algemene heffingskorting. Het oordeel van de Rechtbank luidt voor zover in cassatie van belang:
Vander Zwalmen en Massart [10] . Uit dat arrest volgt dat een belastingplichtige niet zwaarder mag worden belast over zijn niet‑vrijgestelde inkomen dan een belastingplichtige zonder vrijgesteld inkomen.
Vander Zwalmen en Massarten
Pazdziej [12] .
Vander Zwalmen en Massartin geschil zijnde huwelijksquotiënt is volgens belanghebbende vergelijkbaar met de verzilvering van de heffingskorting van fiscaal partners in artikel 8.9 Wet IB 2001. Dat karakter is wezenlijk anders dan het karakter van de afbouw van de algemene heffingskorting, die progressie aanbrengt in de individuele inkomensheffing. Dat arrest leidt er volgens belanghebbende niet toe dat de afbouw van de algemene heffingskorting voor inkomsten van EU‑functionarissen niet onder het verbod in artikel 12 Protocol Pro zou vallen.
Bourgès-Maunoury. [18] Het HvJ oordeelde dat het niet is toegestaan een hogere solidariteitsbelasting op vermogen van een gewezen EU-ambtenaar te heffen, omdat die ambtenaar – doordat zijn EU-inkomen boven een bovengrens uitkomt – niet in aanmerking komt voor een vermindering.
BNB2011/152 en 153 hadden betrekking op de drempel voor de aftrek van buitengewone uitgaven. Die drempel is bedoeld om aan te sluiten bij de draagkracht van belastingplichtigen. Daarbij wordt gekeken naar het verzamelinkomen van de belastingplichtige, welk begrip veel ruimer is dan het belastbaar inkomen uit werk en woning. Het karakter van de inkomensafhankelijke drempel is, aldus nog steeds belanghebbende, wezenlijk anders dan het karakter van de afbouw van de algemene heffingskorting.
3.Beschouwing en behandeling van het middel
Humblet [19] betrof een Belgische regeling waarbij de inkomsten van echtgenoten werden samengevoegd en het totaal tegen een progressief tarief werd belast. De belanghebbende was Europees ambtenaar. Zijn inkomen werd vrijgesteld van belasting, maar er werd met dat inkomen wel rekening gehouden bij het bepalen van het tarief. Het HvJ oordeelde dat dit in strijd was met het Protocol. Naar het oordeel van het HvJ mogen andere inkomsten niet hoger worden belast doordat rekening is gehouden met het vrijgestelde salaris:
Humbletzijn om de verlaging van de algemene heffingskorting – doordat rekening wordt gehouden met vrijgesteld EU-salaris – in strijd met artikel 12 Protocol Pro te achten.
HvJ Bourgès-Maunoury en Heintz [21] zijn ontvangers van EU-salarissen overigens vrijgesteld van de verplichting om het bedrag daarvan aan de autoriteiten van de lidstaat mee te delen:
impôt de solidarité sur la fortune, de
ISF). [22] Het EU-inkomen werd niet in aanmerking genomen voor het bepalen van de maatstaf van de heffing, maar wel bij het bepalen van de bovengrens van de
ISF. Doordat het EU-inkomen wel in aanmerking werd genomen bij het bepalen van het eindbedrag van de belasting, was sprake van een indirecte belasting van die inkomsten, aldus het HvJ:
HvJ Vander Zwalmen en Massartwas werkzaam bij de Commissie van de Europese Gemeenschappen. Haar inkomen was ingevolge artikel 13 (thans: artikel 12) Protocol vrijgesteld van inkomstenbelasting, zonder progressievoorbehoud. Zij en haar man hadden beiden hun fiscale woonplaats in België. In geschil was of artikel 13 Protocol Pro zich ertegen verzette “dat een lidstaat die een belastingverlichting toekent aan gezinnen met één inkomen en gezinnen met twee inkomens waarvan het tweede lager is dan het geïndexeerde bedrag van 270 000 BEF, dit voordeel ontzegt aan gezinnen waarin een der echtgenoten de hoedanigheid bezit van ambtenaar of ander personeelslid van de Europese Gemeenschappen en een salaris ontvangt dat hoger is dan dat bedrag”. Het HvJ oordeelde van niet, omdat de voorwaarden voor het voordeel geen onderscheid maken tussen ambtenaren van de Unie en andere belastingplichtigen:
BNB2003/29 betrof een vergelijkbaar geval. De belanghebbende woonde in 1995 gedurende het gehele jaar in Nederland en was daar in dienstbetrekking werkzaam. Haar echtgenoot was in dat jaar EG-ambtenaar. Op zijn salaris waren de artikelen 13 en 14 Protocol van toepassing. De belanghebbende wilde de basisaftrek van haar echtgenoot overgedragen krijgen. Dat was op grond van de Wet IB 1964 mogelijk als de echtgenoot in dat kalenderjaar geen inkomen had genoten ofwel dat inkomen na verrekening van verliezen uit voorgaande jaren minder bedroeg dan de basisaftrek. Gelet op het arrest
Vander Zwalmen en Massartheeft de Hoge Raad geoordeeld dat artikel 13 Protocol Pro zich niet verzette tegen het niet kunnen overdragen van de basisaftrek van de echtgenoot.
Bourgès-Maunoury en Heintz,
BNB2011/153 mocht het vrijgestelde inkomen van een werknemer van de Europese Octrooiorganisatie in aanmerking worden genomen bij het bepalen van de drempel voor aftrek van buitengewone uitgaven. Artikel 16 van Pro het Protocol inzake voorrechten en immuniteiten van de Europese Octrooiorganisatie, dat vrijwel geheel overeenkomt met (destijds) artikel 13 (van het eerder genoemde immuniteiten-)Protocol, stond daaraan niet in de weg:
BNB2011/153 hem achteraf en nader bezien – gelet op het arrest van het HvJ in de zaak
Bourgès-Maunoury en Heintz– onjuist lijkt: [30]
BNB2003/29 over de overdracht van de basisaftrek aan de echtgenote, of daar andere bronnen voor heeft, wordt uit zijn commentaar niet duidelijk.
Bourgès-Maunoury en Heintzin 3.10). Belastingen moeten worden berekend zonder het EU-salaris daarbij – bijvoorbeeld door middel van tariefprogressie – in aanmerking te nemen (zie
Humbletin 3.7 en
Bourgès-Maunoury en Heintzin 3.10-3.12). Het draagkrachtargument biedt daarvoor geen rechtvaardigingsgrond. Een uitzondering op dit uitgangspunt geldt wanneer (de echtgenoot van) de ambtenaar aanspraak wil maken op een (belasting)voordeel of subsidie. In het arrest
Tither(zie 3.15) heeft het HvJ geoordeeld dat (thans) artikel 12 Protocol Pro wel verlangt dat EU-ambtenaren die in een lidstaat aan belasting zijn onderworpen, wel in aanmerking moeten komen voor elk belastingvoordeel waarop belastingplichtigen normaal recht hebben, om te vermijden dat zij zwaarder worden belast. Een belastingvoordeel hoeft niet verleend te worden als de hoogte van het inkomen een voorwaarde is die op niet-discriminerende wijze zowel voor de ambtenaren en andere personeelsleden van de EU als voor iedere andere belastingplichtige van de betrokken lidstaat geldt; dit blijkt uit de HvJ-arresten
Vander Zwalmen en Massart(zie 3.16) en
Marlène Pazdziej(zie 3.18-3.20). Het HvJ nam wel strijd met artikel 12 (voorheen: artikel 13) Protocol aan in de bovengenoemde zaken
Humbleten
Bourgès-Maunoury en Heintz. Het HvJ zag daarvoor geen aanleiding in de zaken
Tither, Vander Zwalmen en Massarten
HvJ Marlène Pazdziej, net als de Hoge Raad in HR
BNB2003/29 (zie 3.17) en HR
BNB2011/152 en 153 (zie 3.21).