Belanghebbende emigreerde in 2018 naar Nederland en had dat jaar zowel in Turkije als in Nederland arbeidsinkomen. De Inspecteur berekende de arbeidskorting op basis van het wereldarbeidsinkomen, inclusief het in Turkije verdiende loon. De Rechtbank oordeelde dat alleen het in Nederland belastbare arbeidsinkomen in aanmerking moet worden genomen en stelde de aanslag dienovereenkomstig bij.
De Inspecteur ging in hoger beroep en voerde aan dat het premiedeel van de arbeidskorting op het wereldarbeidsinkomen moet worden gebaseerd. Het Hof oordeelde dat de Hoge Raad in een eerder arrest heeft bepaald dat het begrip arbeidsinkomen niet het niet in Nederland belastbare inkomen omvat, en dat dit oordeel ook geldt voor het premiedeel van de arbeidskorting.
Het Hof wees het verzoek van belanghebbende af om het nadere stuk van de Inspecteur niet toe te laten en concludeerde dat het hoger beroep ongegrond is. De uitspraak van de Rechtbank wordt bevestigd en de Inspecteur wordt veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende.