Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten
koopovereenkomst) gesloten op basis waarvan PVB voor een koopprijs van $ 4.000.000,-- alle aandelen in het kapitaal van haar dochteronderneming Ponte Vecchio B.V. heeft verkocht aan DST. Vervolgens heeft DST geweigerd de koopprijs te betalen, omdat de software van Ponte Vecchio B.V. volgens haar niet voldeed aan de tussen partijen overeengekomen acceptatiecriteria.
3.Procesverloop
In eerste aanleg
rechtbank) DST veroordeeld tot betaling aan PVB van een bedrag van € 1.293.421,-- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 maart 2002 tot de dag der algehele voldoening, de buitengerechtelijke incassokosten, proceskosten en de nakosten. De rechtbank heeft het beroep van DST op gezag van gewijsde van het arrest van het hof Den Haag van 30 januari 2018 (genoemd hiervoor onder 2.3) verworpen, alsmede het beroep op verjaring, eigen schuld en matiging. Ten aanzien van de vraag of PVB koerswijzigingsschade heeft geleden overwoog de rechtbank:
vonnis) bij het gerechtshof Amsterdam (hierna: het
hof). DST heeft geconcludeerd – voor zover in cassatie van belang – dat het hof dit vonnis zal vernietigen en uitvoerbaar bij voorraad: PVB alsnog niet ontvankelijk zal verklaren in haar vorderingen, althans haar deze zal ontzeggen; PVB zal veroordelen om al hetgeen DST ter uitvoering van het bestreden vonnis aan PVB heeft voldaan terug te betalen, vermeerderd met rente en met veroordeling van PVB in de kosten van het geding in beide instanties met nakosten en rente.
bestreden arrest) [9] heeft het hof, voor zover in cassatie van belang, het vonnis van de rechtbank Amsterdam vernietigd en opnieuw rechtdoende, de vorderingen van PVB afgewezen, PVB veroordeeld tot terugbetaling aan DST van al hetgeen DST ter uitvoering van het bestreden vonnis aan PVB heeft voldaan, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling door DST tot de dag van terugbetaling en PVB veroordeeld in de kosten van het geding in eerste aanleg en hoger beroep. Het hof heeft deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde afgewezen.
zou hebbeningewisseld én dat PVB op 13 april 2018 de ontvangen US dollars
heeftingewisseld voor euro's (r.o. 5.8). Het hof heeft vervolgens in het midden gelaten of PVB – in het hypothetische geval dat DST tijdig zou hebben betaald – op 7 maart 2002 de US dollars voor euro's zou hebben ingewisseld en vastgesteld dat PVB over een substantieel deel van het bedrag van $ 4.000.000 plus de wettelijke rente in het geheel geen koerswijzigingsschade heeft geleden, omdat (de bestuurder van) PVB tijdens de mondelinge behandeling in het hoger beroep heeft verklaard dat hij een substantieel deel van dit bedrag in US dollars heeft doorbetaald aan een van haar aandeelhouders. Voor het overige deel van het ontvangen bedrag heeft PVB nagelaten (de omvang van) haar gestelde koerswijzigingsschade te onderbouwen (r.o. 5.9). De overige grieven heeft het hof niet besproken (r.o. 5.10).
4.Vergoeding van koerswijzigingsschade
Inleiding; toepassingsbereik art. 6:125 BW Pro
Convention européenne relative aux obligations en monnaie etrangèrevan 11 december 1967 (hierna:
CEME) dat ook daarin aan de schuldeiser in beginsel recht wordt gegeven op vergoeding van schade door koersverlies, maar dat de in de CEME gegeven regels beperkt zijn tot een aantal met zoveel woorden omschreven gevallen en dat dit verdrag de nationale wetgevers vrijlaat ook in andere gevallen vergoeding van koerswijzigingsschade toe te kennen. [24] Zie over de CEME nader hierna, onder 4.34-4.35.
WPNR5777 en 5778 (1986) [27] staat om over te stappen op een gesloten stelsel van abstracte schadevergoedingen voor bepaalde gevallen van koersverlies met uitsluiting van andere gevallen, maar met de mogelijkheid om boven het koersverlies nog andere schadevergoeding wegens te late betaling van het betreffende geld te vorderen. Rank stelde voor om het toepassingsbereik van art. 6:125 BW Pro te beperken tot gevallen waarin het geld tot betaling waarvan de verbintenis strekt na het intreden van verzuim ten opzichte van het geld van het land waar de betaling moet geschieden in koerswaarde is gewijzigd. In deze gevallen zou ten minste de koersdaling die zich na het intreden van verzuim heeft voorgedaan vergoed moeten worden (de ‘abstracte schade’). [28] De minister antwoordde onder meer als volgt:
Dat deze schade daadwerkelijk is geleden, is niet in alle gevallen voor de hand liggend, zelfs al is het verzuim van de uitgevende instelling ontegenzeggelijk ingetreden. Zo is het niet gemakkelijk voorstelbaar dat obligatiehouders wier financiële huishouding overwegend in de dollarsfeer ligt de hier bedoelde koerswijzigingsschade lijden. Voor hen is de koers tussen dollar en euro in beginsel niet relevant, behoudens indien de obligatielening bijvoorbeeld was aangegaan met de bedoeling om bij aflossing een schuld luidende in euro te voldoen (een onwaarschijnlijk scenario). In dit laatste geval moet worden beoordeeld, […] in hoeverre hier sprake is van schade die in redelijkheid aan de uitgevende instelling kan worden toegerekend. Ingeval de dollar obligatielening bij Nederlandse obligatiehouders is ondergebracht wier financiële huishouding overwegend in euro is gedenomineerd, ligt toerekenbare schade wellicht meer voor de hand.’ [53]
UNIDROIT Principles of International Commercial Contracts 2016(Unidroit Principles), de
Principles of European Contract Law(PECL), het
Draft Common Frame of Reference(DCFR) [55] en de
United Nations Convention on contracts for the International sale of goods(het Weens Koopverdrag).
Advisory Council Opinionvan Gotanda is wel vermeld dat de vergoeding van koerswijzigingsschade in lijn is met het principe van volledige schadevergoeding dat ten grondslag ligt aan art. 74 Weens Pro Koopverdrag dat aanspraak biedt op schadevergoeding bij een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst. [68] Dat wordt ook aangenomen in Nederlandse commentaren. [69] In de
Advisory Council Opinionwordt erop gewezen dat wanneer de schuldeiser na het overeengekomen moment van betaling het risico zou dragen van koersverlies, hij een risico zou dragen waarin de overeenkomst niet voorzag. Ook zou een daling van de wisselkoers van de munteenheid van de overeenkomst een prikkel kunnen vormen voor de schuldenaar om betaling zo lang mogelijk uit te stellen. [70] Art. 74 Weens Pro Koopverdrag bevat geen specifieke richtlijnen voor de berekening van schade. In de
Advisory Council Opinionwordt voorgesteld dat de schuldeiser recht heeft op koerswijzigingsschade als hij bewijst dat hij een hogere geldwaarde zou hebben ontvangen als zijn wederpartij tijdig had betaald. De
Advisory Council Opinionwijst erop dat voldoende is dat de schuldeiser stelt dat zich een relevante koerswijziging heeft voorgedaan. De schade kan worden vastgesteld op het koersverlies tussen het moment dat de schuldenaar moest betalen en het moment van betaling. [71] De Advisory Council Opinion noemt enkele voorbeelden uit de Zwitserse, Duitse en Nederlandse rechtspraak waarin koerswijzigingsschade naar het oordeel van de rechter op grond van art. 74 Weens Pro Koopverdrag voor vergoeding in aanmerking kwam. De Zwitserse rechters pasten op de berekening van de schade Zwitsers recht toe. [72]
geenschade heeft geleden. De bewijslast hiervan rust op de schuldenaar. In de parlementaire geschiedenis bij art. 6:125 BW Pro heeft de wetgever zich over deze verweermogelijkheid niet uitgesproken.
5.Bespreking van het cassatiemiddel
zou hebbeningewisseld én dat PVB op 13 april 2018 de ontvangen US dollars
heeftingewisseld voor euro's.