Conclusie
eerste deelklachtzó, dat daarin wordt geklaagd dat het hof ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten, omdat de door het hof bij zijn vaststelling van de tenlastelegging aangebrachte verbetering feitelijk een wijziging van de tenlastelegging oplevert die slechts op de voet van art. 313 Sv Pro en art. 314 Sv Pro kon plaatsvinden. Met de
tweede deelklachtwordt aangevoerd dat het hof – nu een (toegewezen vordering tot) wijziging van de tenlastelegging is uitgebleven – ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd de dagvaarding ter zake van het onder 3 tenlastegelegde niet nietig heeft verklaard aangezien daarin de pleegplaats ontbreekt.
te [plaats] , althans in Nederland(cursivering van mij, A-G), opzettelijk niet heeft voldaan aan en/of heeft bewerkstelligd dat werd voldaan aan de wettelijke verplichtingen tot het voeren van een administratie en/of het bewaren van de daartoe behorende boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers, ten gevolge waarvan de afhandeling werd bemoeilijkt;”
Onderzoek van de zaak
NJ2009/494, m.nt. Reijntjes als voorbeeld HR 10 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7314,
NJ2003/633 waarin partieel werd vrijgesproken van de plaatsaanduiding “aan de Groene Hilledijk”. In de tenlastelegging bleef over dat het feit te Rotterdam was gepleegd, hetgeen door de Hoge Raad werd toegestaan. Daarbij werd in aanmerking genomen de omstandigheid dat bij de verdachte geen onduidelijkheid had bestaan omtrent hetgeen hem werd verweten, met name niet inzake de plaats waar de verweten gedraging zich had voorgedaan.
zowelhet (kennelijke) oordeel van het hof dat het de bedoeling is geweest van het openbaar ministerie om (ook) in de tenlastelegging van feit 3 als pleegplaats op te nemen “te [plaats] , althans in Nederland”, zodat kan worden aangenomen dat het ontbreken van een pleegplaats in die tenlastelegging een kennelijke omissie betreft,
alsvan het oordeel van het hof dat de verdachte door herstel van die omissie niet wordt geschaad in zijn verdediging.
III. Het tweede cassatiemiddel en de bespreking daarvan
Het middel
opzettelijkis weggebleven en/of heeft
geweigerdde vereiste inlichtingen te geven, niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.
1. De aangifte terzake van vermoedelijke faillissementsfraude, door curator [curator] opgemaakt d.d. 31 juli 2017, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende de navolgende verklaring van [curator] :
Bewijsoverwegingen
Stb.2016, 154) [19] in werking getreden. Daarbij is onder meer art. 194, eerste lid, (oud) Sr vervallen en redactioneel vernieuwd in twee leden 1 en 2 van art. 194 nieuw Pro Sr opgegaan, sindsdien luidend:
4.2 De inlichtingenplicht
Artikel I
in dit specifieke gevalin het tenlastegelegde en bewezenverklaarde bestanddeel “wettelijk verplicht” besloten dat de verdachte “wettelijk opgeroepen” was tot het verschaffen van inlichtingen. Uit de bewijsvoering van het hof kan namelijk worden afgeleid dat de wettelijke plicht tot het geven van inlichtingen op de verdachte is komen te rusten doordat de curator op grond van en in overeenstemming met art. 106 (oud) Fw, in verbinding met art. 105, eerste lid, (oud) Fw op 24 mei 2016 en 1 juni 2016 de verdachte heeft opgeroepen te verschijnen en inlichtingen te verschaffen. [24] Daarbij komt dat het feitelijke deel van de bewezenverklaring “door niet te voldoen aan verzoeken van de curator om inlichtingen te verstrekken en/of niet te voldoen aan een oproep van de curator […] om te verschijnen om voornoemde informatie te verstrekken” materieel (eveneens) inhoudt dat de verdachte “wettelijk opgeroepen” was om inlichtingen verschaffen. [25]