ECLI:NL:HR:2024:492

Hoge Raad

Datum uitspraak
26 maart 2024
Publicatiedatum
22 maart 2024
Zaaknummer
22/00876
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 1 EVRMArt. 141 SrArt. 184a SrArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Overtreding redelijke termijn bij openlijke geweldpleging en gedragsaanwijzing

In deze zaak heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie beoordeeld tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden betreffende openlijke geweldpleging en het handelen in strijd met een gedragsaanwijzing. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van elf dagen en een taakstraf van zestig uren, subsidiair dertig dagen hechtenis.

De Hoge Raad heeft ambtshalve de overschrijding van de redelijke termijn getoetst zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro. Hierbij is vastgesteld dat de redelijke termijn met dertien dagen is overschreden, wat gelet op de aard en duur van de opgelegde straf en de mate van overschrijding een relatief geringe inbreuk vormt.

De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie (HR 2008:BD2578) waarin is bepaald dat in gevallen van geringe overschrijding en korte straffen kan worden volstaan met een constatering van de overschrijding zonder verdere strafvermindering. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat aan het oordeel van overschrijding geen ander rechtsgevolg hoeft te worden verbonden.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en constateert de overschrijding van de redelijke termijn zonder strafvermindering.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/00876
Datum26 maart 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 maart 2022, nummer 21-002019-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft A.C. Vingerling, advocaat in Utrecht, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

3.1.1
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, enkele algemene uitgangspunten en regels geformuleerd over de inbreuk op het recht van de verdachte op behandeling van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn, zoals gewaarborgd in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), en het rechtsgevolg dat aan een vastgestelde inbreuk op dat recht moet worden verbonden. Dit arrest houdt over dit rechtsgevolg onder meer het volgende in.
3.1.2
Als de Hoge Raad de overschrijding van de redelijke termijn toetst als feitenrechter, geldt in de regel dat zo’n overschrijding wordt gecompenseerd door vermindering van de in laatste feitelijke instantie opgelegde straf, dan wel het vastgestelde ontnemingsbedrag. Er kunnen zich echter ook gevallen voordoen waarin niet tot vermindering wordt overgegaan, maar wordt volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Deze gevallen laten zich als volgt omschrijven.
3.1.3
In strafzaken wordt onder meer geen vermindering toegepast als het gaat om:
- een geheel voorwaardelijke straf;
- een taakstraf waarvan het onvoorwaardelijke gedeelte minder dan honderd uren beloopt;
- een geldboete waarvan het onvoorwaardelijke gedeelte minder dan € 1.000 beloopt;
- een in laatste feitelijke instantie opgelegde straf die zich naar haar aard niet leent voor vermindering, zoals de levenslange gevangenisstraf, de plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders, of maatregelen als de terbeschikkingstelling; of
- een bijkomende straf.
3.1.4
In ontnemingszaken volstaat de Hoge Raad in bijzondere gevallen met het oordeel dat de geconstateerde verdragsschending voldoende is gecompenseerd met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6 lid 1 EVRM Pro, bijvoorbeeld als in de (nagenoeg) gelijktijdig behandelde strafzaak strafvermindering wordt toegepast op grond van overschrijding van de redelijke termijn.
3.2
In zijn rechtspraak van na het arrest van 17 juni 2008 heeft de Hoge Raad nog enkele andere gevallen aanvaard waarin kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Dat is allereerst het geval als de overschrijding van de redelijke termijn minder dan één maand bedraagt. Daarnaast gaat het om het geval waarin een gevangenisstraf of hechtenis van een beperkt aantal weken of maanden is opgelegd, waarbij een vermindering op basis van de in het arrest van 17 juni 2008 (rechtsoverweging 3.6.2) vermelde percentages, uitgedrukt in weken en met afronding naar beneden, op nihil uitkomt.
3.3
Aan deze rechtspraak ligt ten grondslag dat met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden, al een rechtsgevolg wordt verbonden aan het oordeel dat een inbreuk is gemaakt op het recht van de verdachte op berechting binnen een redelijke termijn. Met name in gevallen waarin de ernst van die inbreuk van betrekkelijk geringe aard is – gelet op de mate van overschrijding en/of in het licht van de duur of omvang van de opgelegde straf of maatregel – bestaat geen grond om aan dat oordeel nog enig ander rechtsgevolg te verbinden (vgl. EHRM 29 maart 2006, nr. 36813/97 (Scordino/Italië), overweging 204).
3.4
Als de Hoge Raad de overschrijding van de redelijke termijn toetst als cassatierechter, geldt in de regel dat zo’n overschrijding wordt gecompenseerd door vermindering van de straf die, dan wel het ontnemingsbedrag dat, zou zijn opgelegd als de redelijke termijn niet zou zijn overschreden (vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, rechtsoverwegingen 3.21 tot en met 3.23). De vermindering van de straf dan wel het ontnemingsbedrag is daarbij mede afhankelijk van de mate waarin de redelijke termijn is overschreden. Algemene regels over de wijze waarop de straf dan wel het ontnemingsbedrag moet worden verminderd, zijn niet te geven. Het staat de feitenrechter vrij om – na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen en omstandigheden, waaronder de mate van overschrijding van de redelijke termijn – te volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Daarbij kan worden gewezen op de hiervoor onder 3.1 en 3.2 genoemde gevallen.
3.5
In deze zaak doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van elf dagen en de taakstraf van zestig uren, subsidiair dertig dagen hechtenis, en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
26 maart 2024.