ECLI:NL:PHR:2024:438
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verwerpt cassatie in zaak seksueel misbruik minderjarigen met bewijsminimum toetsing
De verdachte werd door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, wegens seksueel misbruik van zijn destijds driejarige kleindochter en negenjarige pleegdochter. Het hof baseerde zijn oordeel op verklaringen van de slachtoffers, hun ouders en andere getuigen, alsmede op diverse proces-verbalen en gedragsobservaties.
De verdediging stelde in cassatie dat de bewezenverklaring onvoldoende gemotiveerd was, omdat deze steunde op slechts één getuigenverklaring en onvoldoende steunbewijs bevatte, in strijd met het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv Pro. De Hoge Raad overwoog dat dit bewijsminimum een beoordeling van het concrete geval vereist en dat verklaringen die slechts de inhoud van een ander getuigenverklaring weergeven (de auditu-verklaringen) geen zelfstandig steunbewijs vormen.
De Hoge Raad concludeerde dat de verklaringen van de slachtoffers voldoende steun vinden in eigen waarnemingen van getuigen en gedragsveranderingen, en dat het hof de betrouwbaarheid van de verklaringen zorgvuldig heeft gemotiveerd. Ook de vermeende inconsistenties en mogelijke suggestieve vraagstelling konden niet leiden tot vernietiging van het oordeel. Het cassatieberoep werd daarom verworpen met toepassing van artikel 81 RO Pro.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling wegens seksueel misbruik blijft in stand.