Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Bewezenverklaring en bewijsvoering
3.Beoordeling van het cassatiemiddel
4.Beslissing
15 september 2020.
Hoge Raad
Op 4 januari 2016 werd verdachte beschuldigd van poging tot diefstal met geweld op een vrouw op het station in Den Haag. De vrouw verklaarde dat verdachte haar achtervolgde, haar in haar billen kneep, haar kruis betastte en haar handtas probeerde te stelen. Het hof achtte deze verklaring betrouwbaar en ondersteund door camerabeelden waarop verdachte te zien is die dezelfde route als het slachtoffer volgde, en door onderzoek van de OV-kaart die bevestigde dat verdachte bij dezelfde halte uitstapte.
De verdediging voerde aan dat het bewijs onvoldoende was en dat het signalement onbetrouwbaar was. De Hoge Raad oordeelde dat het bewijs niet uitsluitend op de verklaring van één getuige steunde, maar voldoende werd ondersteund door ander bewijsmateriaal, zoals camerabeelden en OV-kaartgegevens. Daarmee werd voldaan aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv Pro.
Het cassatieberoep werd verworpen omdat het hof zijn oordeel voldoende had gemotiveerd en de klachten over de uitspraak niet tot vernietiging konden leiden. De Hoge Raad benadrukte dat de beoordeling van het bewijsminimum per concreet geval moet plaatsvinden en dat algemene regels niet kunnen worden gegeven.
De Hoge Raad bevestigde hiermee de bewezenverklaring van het hof en de veroordeling van verdachte voor poging tot diefstal met geweld. Dit arrest draagt bij aan de jurisprudentie over het bewijsminimum bij verklaringen van één getuige in strafzaken.
Uitkomst: Hoge Raad verwerpt cassatie en bevestigt bewezenverklaring poging tot diefstal met geweld.