Conclusie
1.Inleiding
BNB2023/97 [3] oordeelde u dat voor de toepassing van de vijfjaars-bezitseis vast moet staan of de vóór de ruziesplitsing aan de gesplitste tussenhoudster toe te rekenen activiteiten Horen en Zien één objectieve onderneming waren en of de schenkster bij de ruziesplitsing een met haar indirecte belang overeenstemmend deel van die activiteiten heeft verkregen. U heeft de zaak verwezen naar het Hof Arnhem-Leeuwarden om dat uit te zoeken.
Hof Arnhem-Leeuwarden [4] heeft belanghebbendes argumenten dat Horen en Zien één objectieve onderneming waren en de argumenten van de Inspecteur dat er ten minste twee objectieve ondernemingen waren onderzocht. Hij heeft daartoe onder meer onderzocht of de CRM-systemen van beide activiteiten al dan niet gekoppeld waren, of verschil bestond tussen de doelgroep en clientèle van de opticien- en audicientakken, hoe het agendabeheer door de baliemedewerkers werd gecombineerd, of de groep bij één huisbank bankierde, of de boekhoudingen gescheiden waren en welk inkoopbeleid voor beide activiteiten werd gevoerd. Het Hof heeft daaruit het gevolg getrokken dat er meer dan één objectieve onderneming was en dat de opgelegde aanslag daarom correct is.
middel(i) heeft het Hof uit uw verwijzingsarrest ten onrechte afgeleid dat u geoordeeld zou hebben dat als het om twee objectieve ondernemingen zou gaan, bij de ruziesplitsing een nieuwe vijfjaars-bezitstermijn ex art. 35b SW is gaan lopen voor de uitbreiding van schenkster’s subjectieve gerechtigdheid (van 49% naar 100%) in Horen. Ik meen echter dat ‘s Hofs uitleg correct is, al is de literatuur in verwarring geraakt door uw elliptisch geformuleerde verwijzing. Zou u daarvan niet zijn uitgegaan, dan was mijns inziens verwijzing overbodig geweest. Ook in de zaken HR
BNB2021/1 en HR
BNB2021/2 beoordeelde u de toepasselijkheid van de vrijstelling vanuit de objectieve onderneming. In die laatste zaak (schenking van een holding met meer deelnemingen) was daardoor de BOR niet van toepassing op de waarden van een dochter en een kleindochter omdat die korter geleden dan de vereiste bezitstermijn waren aangekocht. Belanghebbendes casus is daarmee vergelijkbaar, zij het dat het bij de ruziesplitsing niet ging om koop maar om ruil: de schenkster ruilde haar aandeel in Zien voor neef’s aandeel in Horen.
Middel (ii)acht art. 9(2) URSE wél van toepassing en lijkt daarvoor bijval te krijgen in de literatuur. De tekst van art. 9(2) URSE, die alleen ‘aandelen’ noemt, laat mijns inziens echter geen andere conclusie toe dan dat die bepaling alleen de directe bezitseis verzacht en niet ook de indirecte bezitseis. Ook op dit punt valt niet in te zien waarom u de zaak zou hebben verwezen als art. 9(2) URSE (ook) de
indirecte bezitsperiode zou verlengen, want ook dan had u de zaak zelf af kunnen doen. Dan zou niet relevant zijn hoeveel objectieve ondernemingen er waren ten tijde van de ruziesplitsing, omdat hoe dan ook voldaan zou zijn geweest aan de bezitseis. De wetgever wilde met art. 9(2) URSE voorzien in situaties waarin de oorspronkelijke verkrijger (in casu: de schenkster) als ondernemer bij fusies en splitsingen gerechtigd blijft tot de onderneming van de rechtspersoon en alleen de juridische huls verandert. Daarvan is in casu geen sprake. De schenkster was voor 49% gerechtigd tot Horen en voor 49% tot Zien. Na de splitsing was zij voor 100% gerechtigd tot Horen en voor nihil tot Zien. Feitelijk heeft zij 51% Horen ‘gekocht’ door 49% Zien op te geven.
matchzijn, dat ook
in earhoortoestellen modegevoelig zijn en dat de hulpmiddelen die door Horen en Zien worden verkocht beide op de zintuigen zijn gericht. Ik meen dat dit middel wezenlijk niet ’s Hofs rechtskundige maatstaf bestrijdt, maar diens feitelijke oordelen bij de toepassing van die (correcte) maatstaf bestrijdt. Die feitelijke oordelen lijken mij noch onvoldoende gemotiveerd, noch onbegrijpelijk, waardoor zij in cassatie onaantastbaar zijn.
middel (v)heeft Hof de goede procesorde geschonden door de belanghebbende te weinig tijd te geven om te reageren op de reactie van de Inspecteur op uw arrest, die volgens hem voor diens reactie onevenredig veel meer tijd kreeg dan de belanghebbende. De reactie van de Inspecteur had daarom buiten beschouwing moeten blijven. De zittingsdatum zat te dicht op de datum van de reactie van de Inspecteur, mede gegeven dat de belanghebbende toen op vakantie was. Mijns inziens strandt ook dit middel. Het Hof heeft de partijen volgtijdig laten reageren; de belanghebbende als eerste. De Inspecteur kon uiteraard pas op die reactie reageren na indiening ervan. De Inspecteur kreeg inderdaad iets meer tijd, maar dat was kennelijk omdat het Hof rekening hield met het zomerreces en de belanghebbende had daarna vier weken om desgewenst nog een tiendagenstuk in te dienen en dat heeft hij ook gedaan; ook op de zitting had hij nog alle gelegenheid om de zienswijze van de Inspecteur te bestrijden, hetgeen hij ook gedaan heeft. Van schending van het beginsel van hoor en wederhoor lijkt mij dan geen sprake. Volgens HR
BNB2012/279 [5] is vakantie van de gemachtigde ook geen bijzondere omstandigheid, nog daargelaten dat de belanghebbende niet heeft gesteld dat ook zijn gemachtigde op vakantie was.
2.De feiten
nieuw. De Zien-activiteiten bleven achter in [I] BV-
oud, waarvan de aandelen overgingen naar [D1] BV. De aandelen in [I] BV-
nieuwging over naar [D2] BV.
nieuw( [C] BV). Ook de overige deelnemingen zijn verdeeld tussen de schenkster en Neef. Zo vond een afsplitsing plaats van [J] BV naar [J] BV-
nieuw, waarbij een aantal onroerende zaken achterbleef in [J] BV-
oud.De aandelen [J] BV-
oudwerden toegedeeld aan [D2] BV. Vereenvoudigd weergegeven zag de structuur er na de splitsing als volgt uit:
3.De eerste ronde
directebezitsvoorwaarde dat de schenker het aanmerkelijk belang ten minste vijf jaar moet hebben gehouden ten tijde van de schenking; niet de
indirectebezitsvoorwaarde dat de feitelijke onderneming van de entiteit waarin het aanmerkelijk belang wordt gehouden al minstens vijf jaar werd gedreven ten tijde van de schenking.
(…).
BNB2021/2; zie 5.16 hieronder) heeft het Hof voor de beoordeling of [D] BV één of meer ondernemingen dreef, onderzocht of dier dochtermaatschappijen vóór de ruziesplitsing elk afzonderlijk een objectieve onderneming dreven:
• Beide activiteiten worden in de praktijk als één objectieve onderneming uitgeoefend. In [Q] worden horen en zien bijvoorbeeld gecombineerd in één winkel uitgeoefend;
• De grootvader van belanghebbende is begonnen als opticien, maar kort na oprichting al gestart met audicienactiviteiten. In sommige vestigingen werden beide gedaan, in andere vestigingen een van de twee. De presentatie van alle winkels was echter zowel intern als extern altijd één geheel, qua bijvoorbeeld logo's, kleurstelling, naamgeving, interieur en de website. Dit was ook economisch van belang om “cross-selling ” te bevorderen;
on the jobklinkt. Belanghebbende verklaart dat men voor grote beslissingen, zoals het kopen of verkopen van nieuwe winkels, wel ging zitten, al was dat vooral vóór zijn tijd. Belanghebbende verklaart dat hij verder weet dat zijn moeder en vervolgens hij zelf heel vaak op kantoor waren. Dan werd over zulke zaken gesproken. Soms ging dat over strategische zaken en soms over de koffie, aldus belanghebbende.”
• De activiteiten horen en zien zijn tot 2011 verdeeld over verschillende dochtervennootschappen en het is mogelijk geweest deze van elkaar (…) te splitsen;
• Horen en zien traden zelfstandig naar buiten;
• Horen en zien hadden een aparte boekhouding, bankrekeningen, KvK-nummers en fiscale nummers;
• De notaris die bij de splitsing van [C] betrokken was, heeft in dat kader opgemerkt dat [C] twee ondernemingen dreef (2.4.1.) te weten een opticien en een audicien, waarbij kennelijk, binnen deze dochtervennootschap van [D] B.V. de horen-winkels en -activiteiten als een van de zien-winkel te onderscheiden afzonderlijke onderneming werden beschouwd;
• De klantenbestanden, activiteiten, leveranciers en voorraad van horen en zien zijn volstrekt verschillend;
• Zelfs als gezamenlijk werd ingekocht, hetgeen bij gebrek aan wetenschap wordt bestreden, zal dit zijn gebeurd op voordracht van de afzonderlijke vestigingen van horen en zien. Belanghebbende geeft ook niet aan op welke wijze doorbelasting plaatsvindt door de centrale inkooporganisatie;
• Belanghebbende maakt niet duidelijk of werd gewerkt met vestigings- dan wel bedrijfsleiders en wat hun taken waren;
• Belanghebbende maakt niet duidelijk of bij uitwisseling van (niet-gediplomeerd) personeel interne doorbelastingen plaatsvonden, wat wel voor de hand ligt;
• Dat ter zitting van het Hof door belanghebbende allerlei zaken worden verteld waarvan onderliggende stukken, zoals jaarverslagen, directieverslagen en documentatie van de ruziesplitsing, ontbreken.”
4.10. Belanghebbende heeft desgevraagd ter zitting niet onderbouwd kunnen aangeven op welke wijze de besluitvorming binnen de door hem gestelde centrale leiding van het concern plaatsvond en hoe de managementfees van die door hem gestelde centrale leiding werden bepaald en hoe deze werden verdeeld over de verschillende dochtervennootschappen, noch hoe kosten van onderling uitgeleend personeel werden doorbelast. Evenmin heeft belanghebbende desgevraagd duidelijk kunnen maken wat de taken van de vestigingsleiders van de winkels waren. Wel heeft belanghebbende verklaard dat de mensen in de winkel zelf verantwoordelijk waren voor de dagelijkse gang van zaken. Het Hof acht belanghebbende tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur er daarmee niet in geslaagd aannemelijk te maken dat sprake was van één centrale leiding. Evenmin acht het Hof andere feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt die het oordeel rechtvaardigen dat bij de winkels die door de drie dochtervennootschappen van [D] B.V. werden uitgeoefend sprake was van een zodanige samenhang dat die activiteiten bij elkaar tezamen één objectieve onderneming vormden. Naar het oordeel van Hof staan het klantenbestand en de doelgroep voor het kennelijk meer seizoensgebonden en modieuze product ‘zien’ in bijvoorbeeld [H] B.V. daarvoor in een te ver verwijderd verband met het klantenbestand en de doelgroep voor het gebruiksproduct "horen’ in de winkels in [S] , [T] , [U] en [V] van [I] B.V. Het Hof acht het mede gezien dit geografische verschil in afzetmarkt dat ook opgeld doet in de vergelijking met [G] eerder aannemelijk dat, nu de activiteiten ook zijn ondergebracht in afzonderlijke rechtspersonen, met een eigen financiële administratie, de dochtervennootschappen [H] , [G] en [I] , elk afzonderlijk - minimaal - één objectieve onderneming exploiteerden. Daarbij komt nog dat slechts in twee gevallen sprake was van een gecombineerde winkel horen & zien, en dat verder sprake was van afzonderlijke winkels voor horen respectievelijk zien. Dat vanuit het CRM-systeem synergie-effecten werden nagestreefd is slechts bloot gesteld en acht het Hof niet aannemelijk gemaakt. Verder overweegt het Hof dat belanghebbende desgevraagd ook geen onderliggende documentatie heeft kunnen overleggen van de bij de ruziesplitsing gebezigde overwegingen, die ten grondslag liggen aan de uiteindelijk gemaakte keuze om de activiteiten horen en zien grotendeels als afzonderlijke activiteiten te behandelen. Het enige dat belanghebbende in dat verband heeft aangevoerd is dat de zijn neef opticien is en dat die neef daarom de zien activiteiten heeft toebedeeld gekregen.”
4.Het geding in tweede cassatie
middel (i)aan de orde; zie onderdeel 5 hieronder.
BNB2021/2 (zie 5.16 hierna) dat voor beide (middellijke) ondernemingen aan de indirecte bezitseis moet worden voldaan. Dat is niet het geval: waren er twee ondernemingen, dan wordt maar voor 49% aan die bezitseis voldaan en voor 51% niet. 51% van Horen is dan immers korter dan vijf jaar geleden, nl. pas bij de ruziesplitsing verkregen. Het Hof Arnhem-Leeuwarden zag twee objectieve ondernemingen;
middel (iii)bestrijdt dat oordeel (zie onderdeel 7 hieronder).
middel (ii).
middel (iv)heeft het Hof ten onrechte de bewijslast op de belanghebbende gelegd (zie onderdeel 8 hierna) en
middel (v)klaagt dat het Hof de goede procesorde heeft geschonden door de belanghebbende onvoldoende weder te horen (zie onderdeel 9 hieronder).
Geldt voor de uitbreiding van subjectieve gerechtigdheid in een onderneming een nieuwe bezitstermijn? (Middel (i))
BNB2021/1 (zie 5.13 hieronder) volgt volgens de belanghebbende evenmin dat voor de uitbreiding van de onderneming in casu een afzonderlijke bezitstermijn geldt. Hij leest dat arrest als volgt:
• Voor (…) de vraag of voor de toepassing van de BOR een onderneming wordt verkregen of een gedeelte daarvan, dan wel of de vennootschap waarvan (…) aandelen worden verkregen een onderneming drijft, is beslissend de situatie op het tijdstip van de verkrijging.
• Indien op dat tijdstip een onderneming wordt verkregen als bedoeld in artikel 3.2 Wet IB 2001 of een gedeelte daarvan, of (…) aandelen in een vennootschap die een onderneming drijft als bedoeld in artikel 3.2 Wet IB 2001, houdt de tekst van de wet naar zijn bewoordingen in dat niet van belang is hoe het vermogen van die onderneming in de loop van de tijd aan zijn samenstelling ten tijde van de verkrijging is geraakt.
• In het bijzonder kan aan de woorden "of een gedeelte daarvan" niet de betekenis worden toegekend dat ingeval een gehele onderneming wordt verkregen (of (…) aandelen in een vennootschap die een onderneming drijft), moet worden onderzocht of en in hoeverre daarin (zelfstandige) gedeelten zijn te onderscheiden.
• In een geval waarin krachtens schenking een onderneming in de zin van artikel 3.2 Wet IB 2001 wordt verkregen (dan wel (…) aandelen in een vennootschap die een onderneming drijft), staat aan toepassing van de BOR dus niet in de weg de eventuele omstandigheid dat een deel van het vermogen van die onderneming is verkregen in de vijf jaar voorafgaande aan de verkrijging en toen een zelfstandige onderneming was.”
BNB2021/1. Gegeven de door de wetgever gewenste rechtsvormneutraliteit is verschillende behandeling van beide figuren onwenselijk. Voor de bezitseis zou het onverschillig moeten zijn of een onderneming wordt overgenomen met een activa-passiva-transactie of verwerving of uitbreiding van een belang in de werkmaatschappij.
de Staatssecretarisheeft het Hof het verwijzingsarrest en uw verwijzingsopdracht correct uitgelegd. Omdat dit een zuiver rechtsoordeel betreft, kan het niet met succes met een motiveringsklacht worden bestreden. Het Hof heeft op goede gronden uit het verwijzingsarrest afgeleid dat bij de uitbreiding van subjectieve gerechtigdheid tot een objectieve onderneming ter zake van die uitbreiding een nieuwe bezitstermijn ex art. 35d SW aanvangt. Anders dan de belanghebbende meent, is niet beslissend of [B] Beheer ten tijde van de schenking een materiële onderneming dreef, waardoor uitbreiding van subjectieve gerechtigdheid tot die onderneming in de bezitsperiode niet relevant zou zijn. De situatie vóór de ruziesplitsing is immers bepalend, zo volgt duidelijk uit het verwijzingsarrest.
(…)
BNB2021/1 [24] betrof schenking van aandelen in een holding die via tussenholdings een belang hield in een werkmaatschappij met materiële onderneming. Minder dan vijf jaar vóór de schenking had de werkmaatschappij een materiële onderneming (bij)gekocht in een activa/passiva-transactie en die geïntegreerd in de bestaande onderneming. De vraag was of de begiftigde ook recht had op de BOR-vrijstelling voor zover de waarde van zijn verkrijging die bijgekochte onderneming betrof. U meende van wel omdat de aangekochte onderneming was opgegaan in de voordien al bestaande onderneming:
BNB2021/1:
BNB2021/2 [26] over schenking van aandelen in een holding met diverse deelnemingen. In geschil was of de BOR ook gold voor de geschonken waarde voor zover toerekenbaar aan de aandelen in kleindochter F BV (gehouden via dochter H BV) en in dochter E BV, die beide waren gekocht minder dan vijf jaar vóór de schenking. U meende van niet:
BNB2021/2:
4. Uiterst zuur voor belanghebbende is verder dat de aandelen van een werkmaatschappij zijn gekocht van de schenker en dat de schenker - deels direct en deels indirect - wel minimaal vijf jaar aanmerkelijkbelanghouder was in die werkmaatschappij
.”
curs. PJW): [28]
Dat voor een toename van de subjectieve gerechtigdheid een nieuwe bezitsperiode geldt volgt uit de bedoeling van de bezitseis en is recent bekrachtigd in jurisprudentie. [29] Voorgesteld wordt dit expliciet uit de wettekst te laten blijken door middel van de voorgestelde toevoeging van een zinsdeel aan artikel 35d, eerste lid, SW 1956. [30] Ook wordt hierdoor uitdrukkelijk in de wettekst opgenomen dat het een voor-zover-bepaling is. De voorgestelde aanpassing is dus een verduidelijking van de wettekst in lijn met het doel en de strekking van de bezitseis.”
BNB2023/97) denkt van wel, maar vindt uw desbetreffende overweging ‘uiterst beknopt en cryptisch’:
a contrario, zegt dat voor de uitbreiding van subjectieve gerechtigdheid tot een objectieve onderneming een nieuwe bezitstermijn start; hij vindt dat niet overtuigend en ‘bepaald ongelukkig’ (ik laat voetnoten weg):
(…).
FED2023/69:
BNB2021/1 (…) al aangegeven dat de wetgever (…) nergens uitdrukkelijk heeft aangegeven dat de bezitstermijn ook geldt voor de aanschaf van een gedeelte van een onderneming (althans niet voor de wetswijziging in 2016). Ja, de wetgever heeft alleen reële bedrijfsopvolgingen willen faciliëren, maar waarom zou daar hier nu geen sprake van zijn? Wat is ‘reële bedrijfsopvolging’ objectief bezien? Niet in geschil was dat schenker A in onderhavige zaak voor in ieder geval 49% van de onderneming aan de bezitseis voldeed. Hebben we dan niet per definitie van doen met een reële bedrijfsopvolging en zou de BOR belanghebbende daarom dan ook niet voor het later verkregen 51%-deel moeten worden toegekend? De Hoge Raad heeft deze vraag niet voor ons beantwoord. De Hoge Raad wijdt zelfs geen woorden aan de subjectieve gerechtigdheid.”
De voorzitter houdt de gemachtigde voor dat je het arrest van de Hoge Raad ook zo kan opvatten dat hij impliciet heeft geoordeeld dat bij uitbreiding van de subjectieve gerechtigdheid tot een onderneming in zoverre een nieuwe bezitstermijn gaat lopen en dat daarom in deze zaak nader onderzoek nodig is.
nietin zoverre een nieuwe termijn gaan lopen, dan was verwijzing overbodig geweest en had u de zaak meteen kunnen afdoen. Ook in de geciteerde zaken HR
BNB2021/1 en HR
BNB2021/2 beoordeelde u de toepasselijkheid van de BOR vanuit de objectieve onderneming. In HR
BNB2021/2 was daardoor de BOR niet van toepassing op de binnen vijf jaar vóór de schenking aangekochte dochter en kleindochter. Met de genoemde voorzitter en de literatuur meen ik dat u dat duidelijker had kunnen maken.
BNB2021/1. In die zaak ging de via een activa/passiva-transactie aangekochte onderneming op in de bestaande objectieve onderneming en was en bleef er dus maar één objectieve onderneming: de schenker hield voor én na de aankoop 100% in die enkelvoudige onderneming. Aan enige subjectieve gerechtigdheid veranderde niets. De zaak is dus niet vergelijkbaar met die van de belanghebbende, althans niet als het in zijn zaak om
tweeobjectieve ondernemingen ging.
indirecte bezitseis op dezelfde manier uit te leggen.
6.Versoepelt art. 9(2) URSE ook de indirecte bezitseis? (Middel (ii))
de belanghebbendebrengt art. 9(2) URSE mee dat wél alsnog aan de indirecte bezitseis wordt voldaan omdat uw verwijzingsarrest zou inhouden dat art. 9(2) URSE ook geldt voor de indirecte bezitstoets ter zake van de ruziesplitsing van tussenhoudster [D] BV. De belanghebbende maakt dit op uit de volgende spontane (niet op enig cassatiemiddel of geschilpunt gebaseerde) volzin in r.o. 3.2 van uw verwijzingsarrest:
de Staatssecretarisis belanghebbendes uitleg van art. 9(2) URSE in strijd met de duidelijke bewoordingen van art. 35c(5) SW en miskent die uitleg dat uw verwijzingsarrest niet zegt dat art. 9(2) URSE ook geldt voor de indirecte bezitseis bij de ruziesplitsing van [D] BV. Art. 9(2) URSE ziet alleen op splitsingen op direct niveau. Het gaat om de aandelen gehouden door de schenkster en dat zijn niet de aandelen in tussenhoudster [D] BV. Bij belanghebbendes lezing van het verwijzingsarrest valt ook niet in te zien waarom u de zaak heeft verwezen omdat u in die lezing de zaak zelf had kunnen afdoen. Dan zou niet relevant zijn hoeveel objectieve ondernemingen er waren ten tijde van de ruziesplitsing omdat hoe dan ook voldaan zou zijn geweest aan de bezitseis.
2. In geval van een aandelenfusie als bedoeld in artikel 3.55 van de Wet inkomstenbelasting 2001
BNB2021/2 [43] (zie 5.16 hierboven) volgt dat situaties waarin op grond van de tekst van art. 9 URSE Pro niet wordt voldaan aan de bezitseis, maar naar doel en strekking mogelijk wel, de optelregeling van art. 9 URSE Pro niet van toepassing is. In die zaak werden de aandelen in de holding [Beheer BV] geschonken terwijl een kleindochter [F BV, gehouden via dochter H BV] en een andere dochter [E BV] waren aangekocht minder dan vijf jaar vóór de schenking. Het belang in E BV had de holding gekocht van de schenker, die dit belang eerst in privé hield. De belanghebbende meende dat de eerdere bezitsperiode van de schenker van E BV moest worden opgeteld bij de bezitsperiode van de holding. U oordeelde anders:
BNB2021/2:
FED2020/109:
1. verduidelijken dat niet aan de bezitseis wordt voldaan voor zover het belang van de erflater of schenker in het over te dragen ondernemingsvermogen is toegenomen tijdens de bezitsperiode voorafgaand aan overlijden of schenking;
3. (…)
4. (…)
5. (…)
(…).
In artikel 35d, eerste lid, SW 1956 staat de hoofdregel voor wanneer de schenker of erflater voldoet aan de bezitseis. In artikel 9 URSE Pro is opgenomen in welke gevallen mede wordt voldaan aan de bezitseis. De in artikel 9, eerste en vijfde tot en met zevende lid, URSE opgenomen situaties zijn situaties waarbij naar de letter van de wet niet wordt voldaan aan de in de wet opgenomen bezitseis, maar die niet strijdig zijn met het doel en de strekking van de bezitseis. Ze dragen namelijk eraan bij dat de BOR wordt toegespitst op ‘reële bedrijfsopvolgingen’ en dus op overdrachten van een onderneming die enige tijd door de erflater of schenker werd gedreven aan zijn opvolger, waarbij deze onderneming door de opvolger enige tijd als ondernemer wordt voortgezet.
1. De uitkomsten van de 29 mei-arresten van de HR [HR
BNB2021/1 en HR
BNB2021/2; zie 5.13 en 5.16 hierboven, PJW] worden kortgezegd gerespecteerd;
2. Herstructureringen in de bezitstermijn worden vergemakkelijkt;
3. Invoering van een faciliteit in geval van overheidsingrijpen tijdens de bezitsperiode;
4. Verkorting van de voortzettingstermijn van vijf jaar naar drie jaar;
5. Herstructureringen in de voortzettingstermijn worden vergemakkelijkt. Vanuit de stakeholders is gevraagd om een andersoortige versoepeling die zou neerkomen op een geheel nieuwe regeling. Voor deze gevraagde regeling zou niet langer relevant zijn of sprake is van dezelfde onderneming gedurende de bezits- en voortzettingstermijn, maar zou de toets bij andere criterium of criteria komen te liggen, bijvoorbeeld de instandhouding van ondernemingsvermogen. Het kabinet heeft dit gevraagde alternatief bestudeerd, maar concludeert dat deze gevraagde regeling een andere doelstelling voor ogen heeft dan het faciliteren van een bedrijfsopvolging. Staking of verkoop van de onderneming bij (of kort voor of na) schenking of vererving, waarna de verkrijger een andere onderneming start, wordt dan met toepassing van de BOR mogelijk. Dit brengt ook risico’s ten aanzien van het gelijkheidsbeginsel met zich mee. De vergelijking kan getrokken worden met een ander die spaargeld geschonken krijgt of erft en daarmee een onderneming start, maar wel schenk- of erfbelasting over de verkrijging is verschuldigd. Ook is een belangrijke overweging dat met de huidige begrippen zoals het ondernemings- en stakingsbegrip in de IB al vele jaren ervaring is opgedaan en deze begrippen zijn uitgekristalliseerd in de jurisprudentie. (…).
BNB2023/97:
BNB2021/2 naar een WOB-besluit van de Belastingdienst, waaruit volgens haar blijkt dat art. 9 URSE Pro ruim (materieel) moet worden uitgelegd:
NLF2023/982 bij uw verwijzingsarrest in onze zaak) meent dat een redelijke uitleg van art. 9(2) URSE meebrengt dat die bepaling in casu van toepassing is, óók op het indirecte bezit:
NLF2019/2702. Ook hij meent dat op grond van de ratio van art. 9(2) URSE ook de indirecte bezitsperioden bij elkaar moeten worden opgeteld, maar hij gaat kennelijk uit van één objectieve onderneming:
aandelenen die van de afgestane
aandelen”;
curs. PJW) valt mijns inziens ook alleen maar af te leiden dat u het over de directe bezitseis heeft. Ook meen ik met het Hof en de Staatssecretaris dat uw verwijzing van de zaak naar het Hof Arnhem-Leeuwarden overbodig zou zijn geweest als art. 9(2) URSE in casu ook niet-voldoening aan de indirecte bezitseis zou verhelpen. Dan had u de zaak immers meteen zonder verwijzing af kunnen doen, zowel in de ene mogelijke feitelijke constellatie (vóór de splitsing was er één objectieve onderneming) als in de andere mogelijke feitelijk constellatie (vóór de splitsing waren er twee objectieve ondernemingen): waren Horen en Zien één objectieve onderneming, dan was er geen probleem met de directe of de indirecte bezitseis. Waren Horen en Zien twee objectieve ondernemingen, dan zou in belanghebbendes lezing van art. 9(2) URSE het niet-voldoen aan de indirecte bezitseis zijn gerepareerd door die bepaling. In geen van beide gevallen zouden er nog feiten onderzocht hoeven worden omdat in beide gevallen de uitkomst dezelfde zou zijn.
curs. PJW) dat “aangezien wordt verwezen naar artikel 35d, eerste lid, van de Successiewet 1956, zal steeds
ookvoldaan moeten zijn aan de eis dat de onderneming voor een aaneengesloten periode van (…) vijf jaren, voor rekening van de (nieuwe en oude) vennootschap moet zijn gedreven.” De toelichting vermeldt dat art. 9(2) URSE is bedoeld voor de erflater/schenker die betrokken is geweest bij aandelenfusie, splitsing of afsplitsing. Ook dit duidt op de directe bezitseis (de aandelen die een natuurlijke persoon houdt) en niet op de indirecte bezitseis ter zake van de materiële onderneming.
7.Eén of twee objectieve ondernemingen? (Middel (iii))
8.Op wie rust de bewijslast? (middel (iv))
7.3.4.1 Inleiding: historische achtergrond, bewijsrisico en stelplicht
De wettekst laat zich niet vaak uit over de vraag wie het bewijs moet leveren. [55] Meestal is dat logisch verklaarbaar: soms kunnen beide partijen er immers belang bij hebben om een bepaalde toestand te bewijzen (bijvoorbeeld het al dan niet van toepassing zijn van de deelnemings-vrijstelling in de Wet Vpb), en soms is het zo evident wie zich op de bepaling zal beroepen (bijvoorbeeld bij een hogere kostenaftrek dan een wettelijk forfait), dat het niet nodig is om die partij aan te wijzen.
7.3.4.3 Hoofdregel en subregels voor een redelijke verdeling: jurisprudentie
- Belastingverminderende posten, zoals aftrekposten, aftrekbare kosten, vrijstellingen en verminderingen, het recht op vooraftrek of toepassing van het nultarief (omzetbelasting) en voorheffingen (zoals loonbelasting) moeten dus – bij betwisting – door de belastingplichtige worden bewezen. [60]
9.De goede procesorde (middel (v))
• Een paar dagen voor het aflopen van die termijn van 19 juni 2023 kwam er bericht van het hof dat die termijn (ongevraagd) werd verlengd tot 5 juli 2023. Op 3 juli 2023 is de schriftelijke reactie ingediend.
• Op 4 juli 2023 heeft het hof de inspecteur verzocht een reactie te geven op het arrest en op mijn reactie van 3 juli 2023.
• Op 17 juli 2023 heeft het hof de datum van de mondelinge behandeling op 26 oktober 2023 vastgesteld.
• Op 12 oktober 2023 heb ik nog schriftelijk gereageerd op de reactie van de inspecteur van 18 september 2023.”
BNB2012/279 [68] dat vakantie van de gemachtigde geen reden is om een repliektermijn van vier weken [69] te verlengen. Vakantie is geen bijzondere omstandigheid. Ik neem aan dat dit ook geldt voor vakantie van de belanghebbende zelf en ook voor de vier weken die de belanghebbende had voor zijn tien-dagenstuk; gesteld noch gebleken is overigens dat ook zijn gemachtigde op vakantie was.
10.Ceterum censeo
in zoverredie problemen zich zouden voordoen.
overinclusivenessinhoudt dat het om een ongerechtvaardigd fiscaal privilege voor bepaalde vermogenden gaat.