ECLI:NL:HR:1995:AA3172
Hoge Raad
- Cassatie
- Stoffer
- Urlings
- Zuurmond
- Herrmann
- C.H.M. Jansen
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over heffingsrente bij navorderingsaanslag vennootschapsbelasting 1987
Belanghebbende, een besloten vennootschap, kreeg aanvankelijk een aanslag vennootschapsbelasting 1987 opgelegd op basis van een aangifte met een belastbaar bedrag van ƒ 82.320. Later stelde de inspecteur vast dat een bedrag van ƒ 99.037 aan winst onterecht niet was verantwoord en legde een navorderingsaanslag op met een verhoging en heffingsrente.
Belanghebbende stelde dat zij tijdig een aanvullende aangifte had ingediend waarin het bedrag was opgenomen, maar de inspecteur betwistte ontvangst. Het hof oordeelde dat niet vast te stellen was of de aanvullende aangifte was ontvangen en legde de bewijslast bij de inspecteur, waardoor de heffingsrente werd vernietigd.
De Hoge Raad oordeelt dat de bewijslast redelijkerwijs bij belanghebbende ligt om aannemelijk te maken dat de aanvullende aangifte is verzonden en ontvangen. Omdat het hof dit verkeerd heeft beoordeeld, vernietigt de Hoge Raad het arrest voor zover het de heffingsrente betreft en vermindert de heffingsrente proportioneel. De zaak wordt verwezen voor verdere behandeling.
De Hoge Raad bevestigt dat heffingsrente niet verschuldigd is indien navordering niet afwijkt van tijdig gedane aanvullingen en benadrukt de noodzaak van een redelijke bewijslastverdeling. De uitspraak verduidelijkt de toepassing van artikel 30c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen in navorderingszaken.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest voor wat betreft de heffingsrente en vermindert deze tot ƒ 14.720, waarna de zaak wordt verwezen voor verdere behandeling.