Conclusie
Nummer22/02169
Inleiding
“diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, met aftrek van voorarrest.
De middelen
Inzake het eerste middel: de bewezenverklaring en de bewijsmiddelen
Inzake het eerste middel: het standpunt van de verdediging
Kwaliteit afbeeldingen of bewegende beelden en hoe goed daarop persoonskenmerken zichtbaar zijn. Hoewel herkenning holistisch kan, moet wel sprake zijn van zichtbare, voldoende duidelijke, specifieke en onderscheidende persoonskenmerken.
Relatie herkenner/herkende: mate bekendheid met waargenomen persoon: Hoe goed kent degene/verbalisant meestal die de persoon zegt te herkennen de persoon.
Verbalisanten: geen ambtshalve herkenningen; enkel van verhoor;, vergelijken van foto’s, niet intensief, frequent contact.
Overige factoren: feiten en omstandigheden die een herkenning zouden kunnen falsificeren en onbetrouwbaar maken, waaronder verwachtingen: cliënte aangehouden, uiterlijke kenmerken vergelijken. Objectieve herkenners?
Herkenning die steun vindt in meer objectieve bewijsmiddelen wint aan waarde: geen sprake van. P. 52: huisdoorzoeking: gezocht naar bankpassen; zwart/wit muts, zwart gewatteerde winterjas met lichtkleurige bontkraag; witte sjaal donkergrijze/zwarte strepen/blokjes; niks aangetroffen.
Inzake het eerste middel: de bewijsmotivering
De bespreking van het eerste middel
Het tweede middel
Inzake het tweede middel: de strafmotivering
Een nadere omschrijving van het tweede middel
feitelijke wegnemenvan de passen uit de woning van de aangeefster, alsmede de omstandigheden waaronder dat heeft plaatsgevonden, terwijl enkel ten laste is gelegd en bewezen verklaard het
gebruikvan de passen om de geldbedragen van de bankrekening af te halen.
nietom een ten laste gelegd delict; met contextdelicten wordt (bij de straftoemeting) niet anders rekening gehouden dan bij wijze van ‘omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan’. De voor de straftoemeting relevante omstandigheden behoeven (dus) niet met behulp van bewijsmiddelen wettig en overtuigend te worden bewezen; zij moeten op grond van ‘het verhandelde ter terechtzitting’ [13] ‘(voldoende) aannemelijk’ zijn geworden. [14] Niet is vereist dat de verdachte het begaan van het contextdelict en het nauwe verband met het ten laste gelegde delict heeft erkend.
according to law’) schuldig is bevonden. Dat is mogelijk anders indien de rechter in de motivering van de straf voor het bewezen verklaarde delict uitlatingen doet die hebben te gelden als een (nieuwe)
criminal chargein de autonome betekenis van artikel 6 lid 1 EVRM Pro, bijvoorbeeld wanneer de rechter zich uitlaat over de schuld van de verdachte aan een concreet aangeduid
ander(dan het bewezen verklaarde) delict en de rechter daaraan ook nog sancties verbindt. [15]
new criminal chargemoeten worden aangemerkt. Naar mijn inzicht komt het hierbij niet alleen aan op de vraag of de rechter de verdachte in de strafmotivering uitdrukkelijk schuldig houdt aan een concreet aangeduid contextdelict. De mate waarin het contextdelict – in strafverzwarende zin – aan de straftoemeting heeft bijgedragen is m.i. eveneens van belang. Wanneer de straftoemeting blijft binnen de wettelijke grenzen die worden gedicteerd door het bewezen verklaarde en gekwalificeerde delict, en het contextdelict bovendien – niet ‘vol’, maar – slechts in relatief geringe mate in strafverzwarende zin aan de strafmaat bijdraagt, doet zich een
new criminal chargemijns inziens niet voor. [16]
De bespreking van het tweede middel
en/of” haar mededaders. Het hof heeft – anders dan de stellers van het middel naar voren brengen – dus niet vastgesteld dat de verdachte daadwerkelijk degene is geweest die de pinpassen uit de woning van de aangeefster heeft weggenomen. Bij gebrek aan aanwijzingen voor het tegendeel kon het hof uit de inhoud van wettige bewijsmiddelen (en dus op grond van het verhandelde ter terechtzitting) oordelen dat voldoende aannemelijk is geworden dat de daders van de diefstal van de pinpassen uit de woning van de aangeefster moeten worden gezocht onder de daders van de meermalen gepleegde diefstal van (gepind) geld met behulp van diezelfde pinpassen. Daartoe wijs ik erop dat de pinpassen op 7 maart 2018 uit de woning zijn weggenomen, dat op 8 maart 2018 met de aangeefster is gebeld om haar de pincodes te ontfutselen en dat de reeks van pintransacties diezelfde dag een aanvang heeft genomen.