Conclusie
verzoekster tot cassatie,
advocaat: mr. J.W. de Jong,
verweerder in cassatie,
advocaat: mr. N.C. van Steijn.
1.Inleiding en samenvatting
I. de man te bevelen om op de voet van artikel 22 Rv Pro dan wel artikel 843a Rv de jaarrekeningen van alle bedrijven die zijn eigendom zijn en waarin deelnemingen zijn over de jaren 2009 tot en met heden in het geding te brengen, alsmede een overzicht met onderbouwing van de rekening-courantverhouding van de man met zijn bedrijf/bedrijven over de jaren 2009 tot en met heden en alle volledige aangiftes en aanslagen inkomstenbelasting over de jaren 2009 tot en met heden, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag dat de man zulks nalaat;
II. de wijze van afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden alsmede de wijze van verdeling van de beperkte gemeenschap zoals weergegeven in het beroepschrift te bepalen;
III. te bepalen dat de man met ingang van de dag van ontbinding van het huwelijk van partijen een bedrag van € 8.467,- bruto per maand, te vermeerderen met de wettelijke indexering met ingang van 1 januari 2016, moet betalen aan de vrouw als uitkering tot haar levensonderhoud en met ingang van 27 mei 2019 een bedrag van € 10.371,- bruto per maand, bij vooruitbetaling te voldoen;
IV. te bepalen dat in het kader van een voorziening als bedoeld in artikel 1:157 lid 2 BW Pro, de man de vrouw in staat zal stellen een verzekering af te sluiten door een aan de premie daarvoor gerelateerd bedrag in de onderhoudsbijdrage op te nemen, aldus bovenop de aan de vrouw te betalen bijdrage in haar levensonderhoud, dan wel de man te veroordelen tot het treffen van een voorziening die leidt tot passende uitkeringen aan de vrouw in het geval van vooroverlijden van de man;
V. de man te veroordelen in de kosten van het geschil in eerste aanleg en de man te veroordelen in de door de vrouw werkelijke gemaakte kosten van het geschil met veroordeling van de man in de kosten van het hoger beroep.
- vanaf 5 november 2015 tot 1 mei 2016: bruto € 145,- per maand
- vanaf 1 mei 2016 tot 1 januari 2017: bruto € 1.387,- per maand
- vanaf 1 januari 2017 tot 1 januari 2018: bruto € 1.416,- per maand
- vanaf 1 januari 2018 tot 1 januari 2019: bruto € 1.537,- per maand
- vanaf 1 januari 2019 tot 1 januari 2020: bruto € 1.801,- per maand
- vanaf 1 januari 2020 tot 1 januari 2021: bruto € 984,- per maand
- vanaf 1 januari 2021 tot 1 januari 2022: bruto € 522,- per maand
- vanaf 1 januari 2022: bruto € 1.072,- per maand
Het hof heeft verder bepaald dat hetgeen is betaald of verhaald tot en met 1 juli 2021 door de vrouw niet hoeft te worden terugbetaald maar hetgeen na 1 juli 2021 te veel is betaald wel door de vrouw aan de man dient te worden terugbetaald.
3.Ontvankelijkheid aanvullende procesinleiding
4.Bespreking van het cassatiemiddel
Als het hof ervan is uitgegaan dat, als een verzoeker die om stukken heeft verzocht, nadat de verweerder een deel van de verzochte stukken heeft overgelegd, niet kenbaar maakt welke stukken dan nog ontbreken, het ervoor moet worden gehouden dat die verzoeker haar verzoek niet handhaaft, heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Voor zover het hof in dit geval grond heeft gezien om aan te nemen dat de vrouw haar verzoek niet heeft gehandhaafd, is dit oordeel zonder nadere motivering niet begrijpelijk aangezien uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 28 mei 2021 volgt dat de vrouw heeft opgemerkt “grief 1 blijft staan”. Ook bij de mondelinge behandeling van 28 maart 2022 is door de vrouw onder andere opgemerkt dat de vrouw geen inzicht heeft in een deel van de ondernemingen van de man, dat de man over een aantal ondernemingen niets zegt zodat daarin wellicht inkomensstromen zitten waar de man partneralimentatie van kan betalen, dat de vrouw al vanaf het begin daarin inzicht vraagt, alsmede dat de man voldoende tijd heeft gehad om alle stukken te overleggen en dat het niet zo kan zijn dat de vrouw op basis van halve stukken van de man een te lage partneralimentatie krijgt.
evenminkan leiden tot heropening van het debat omdat die bepaling ziet op een reeds gewezen beschikking. Deze rechtsoverweging dient in samenhang met rov. 6.2 gelezen te worden. Anders dan het middel betoogt, getuigt rov. 6.4 niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het oordeel ook niet onbegrijpelijk.