Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
19 juni 2020.
Hoge Raad
De vrouw en de man waren gehuwd en hun huwelijk werd op 14 september 2017 ontbonden. De rechtbank had bepaald dat de man partneralimentatie moest betalen vanaf februari 2018. In hoger beroep verzocht de man de alimentatie op nihil te stellen, stellende dat de vrouw in staat was in haar eigen levensonderhoud te voorzien, ondanks haar psychische gesteldheid.
Het hof verlaagde de alimentatie met ingang van september 2019 naar nihil, omdat de vrouw volgens het hof geen bewijs had geleverd dat zij door haar psychische gesteldheid niet kon werken. Tevens oordeelde het hof dat partijen zelf een terugbetalingsregeling konden treffen voor teveel betaalde alimentatie.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom de vrouw vanaf september 2019 in staat zou zijn inkomen te verdienen, ondanks een verklaring van een bedrijfsarts die haar volledig arbeidsongeschikt achtte. Ook had het hof niet onderzocht of een terugbetalingsverplichting van de vrouw redelijk was, terwijl dit volgens vaste jurisprudentie behoedzaam moet gebeuren bij terugwerkende wijzigingen.
Daarom vernietigde de Hoge Raad het hofvonnis en verwees de zaak naar het gerechtshof Amsterdam voor herbeoordeling, met nadruk op de noodzaak van zorgvuldige motivering en beoordeling van terugbetalingsverplichtingen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofvonnis wegens onvoldoende motivering en verwijst de zaak voor herbeoordeling.