Conclusie
1.Inleiding
2.De opbouw van deze conclusie
3.De prejudiciële procedure in strafzaken
Een rechtsvraag
Nodig om te beslissen
Bijzonder gewicht
4.De prejudiciële vraag
5.Het juridisch kader
Het vertrouwensbeginsel en klassieke vormen van internationale strafrechtelijke samenwerking
Het vertrouwensbeginsel en de EU
Het vertrouwensbeginsel en het EVRM
6.De beantwoording van de vraag
1.Inleiding
rechtspraak.nlop “EncroChat” en “SkyECC” levert inmiddels al honderden resultaten op. In deze zaken spelen zowel vragen over de rechtmatigheid van de bewijsgaring en de verwerking van de resultaten daarvan, als over de betrouwbaarheid van de in de opsporingsonderzoeken vergaarde gegevens.
2.De opbouw van deze conclusie
3.De prejudiciële procedure in strafzaken
Stb.2022, 276) op 1 oktober 2022 (
Stb.2022, 362) is voor de rechter in procedures die zijn voorzien in het Wetboek van Strafvordering de mogelijkheid geopend voorafgaand aan een door hem in dat kader te nemen beslissing prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen. [10] Deze mogelijkheid heeft vooralsnog het karakter van een landelijke [11] ‘pilot’ en wel in die zin dat – in de aanloop naar een nieuw Wetboek van Strafvordering – alvast in de praktijk ervaring met deze procedure kan worden opgedaan. [12] Inmiddels is duidelijk dat de regeling nagenoeg ongewijzigd is opgenomen in het wetsvoorstel voor een nieuw Wetboek van Strafvordering. [13] De vraag óf de prejudiciële procedure in strafzaken een plaats moet krijgen in het nieuwe Wetboek van Strafvordering, lijkt daarmee een gepasseerd station.
i) een rechtsvraag, (
ii) waarop een antwoord nodig is om te beslissen en (
iii) waaraan een bijzonder gewicht kan worden toegekend, gelet op het met de vraag gemoeide zaaksoverstijgend belang. Ik bespreek deze voorwaarden hieronder.
Een rechtsvraag
Stb.2015, 540). Ook hier bepaalt de wet dat de procedure is beperkt tot rechtsvragen, maar omdat dit begrip noch bij de invoering van deze regeling noch in de praktijk wezenlijk is geproblematiseerd, ga ik op de fiscaalrechtelijke betekenis van het begrip “rechtsvraag” niet verder in.
Stb.2012, 65), bepaalt art. 392 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering – net als art. 553 lid 1 Sv Pro – dat de procedure is beperkt tot “rechtsvragen”. Uit de parlementaire geschiedenis van de relevante artikelen uit het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering blijkt dat de wetgever de mogelijkheid heeft willen openlaten om onder rechtsvragen ook gemengde vragen te begrijpen, maar het tegelijkertijd aan de Hoge Raad heeft willen overlaten om in de praktijk te bepalen of en op welke wijze dit type vragen in prejudiciële procedures beantwoord kan worden. [17] De praktijk heeft uitgewezen dat de civiele kamer van de Hoge Raad gemengde vragen als zodanig niet uitsluit van beantwoording. [18] Indien de vraag echter in sterke mate verweven is met kwesties van feitelijke aard, blijft de beantwoording relatief abstract en beperkt zij zich bijvoorbeeld tot het noemen van enkele uitgangspunten en het identificeren van relevante gezichtspunten die bij het beoordelen van de feiten in acht moeten of kunnen worden genomen. [19] Mijn indruk is dat de civiele kamer van de Hoge Raad terughoudend is in het beantwoorden van gemengde vragen waarbij het zwaartepunt meer bij feitelijke kwesties ligt. Recente uitspraken laten zien dat algemene vragen naar welke “omstandigheden” [20] of “factoren” [21] bij de beoordeling van een (rechts)vraag van belang zijn, door de Hoge Raad niet worden beantwoord.
Enigeverwevenheid met de feiten van de zaak moet – zo leid ik hieruit af – wat de wetgever betreft dus mogelijk zijn. In ieder geval volgt niet dwingend uit de wet of de wetsgeschiedenis dat de prejudiciële procedure in strafzaken beperkt moet blijven tot “zuivere rechtsvragen”. [29]
Nodig om te beslissen
). Voor een procedure waarbij de rechter ook “zonder zaak” strafrechtelijke rechtsvragen aan de Hoge Raad zou mogen stellen, heeft de wetgever dus niet gekozen. [32] In de parlementaire geschiedenis is niet veel aandacht geweest voor het criterium “nodig om te beslissen”. De Memorie van Toelichting stelt slechts dat het criterium is opgenomen “[o]m de rechter enige houvast te bieden in welke gevallen het stellen van een vraag passend is”. [33] In het onderzoek van Giesen e.a. is geconcludeerd dat dit criterium in civiele zaken “werkt” en daarom in strafzaken kan worden overgenomen. [34]
mogelijk‘nodig’ zijn), terwijl het omgekeerd ook eerder denkbaar is dat de Hoge Raad vragen gesteld krijgt en beantwoordt, die later niet nodig blijken. Gelet op de aan de strafrechtelijke procedure inherente onzekerheid over de feiten enerzijds, en de noodzaak om de reikwijdte van het criterium “nodig om te beslissen” te beperken anderzijds, lijkt het mij aangewezen dat de Hoge Raad tenminste van de feitenrechter verlangt dat deze aangeeft en motiveert dat en waarom het aannemelijk is dat het antwoord op een prejudiciële vraag nodig is om te beslissen. In dit verband zal veel aankomen op de motivering. Hypothetisch geformuleerde (‘wat als’) vragen zullen in beginsel niet voor behandeling in een prejudiciële procedure in aanmerking komen.
Bijzonder gewicht
4.De prejudiciële vraag
2. Inleiding
3.Het onderzoek Elrits
5.Het juridisch kader
Het vertrouwensbeginsel en klassieke vormen van internationale strafrechtelijke samenwerking
Het vertrouwensbeginsel en de EU
NJ2011, 169, m.nt. T.M. Schalken
.
4.3. De aard en de omvang van de rechterlijke toetsing van de rechtmatigheid van onderzoekshandelingen die hebben plaatsgevonden in het buitenland, verschillen naar gelang deze onderzoekshandelingen zijn uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van de buitenlandse autoriteiten dan wel onder verantwoordelijkheid van de Nederlandse autoriteiten.
6.De beantwoording van de vraag
(on)rechtmatigheidvan dat opsporingsmiddel niet onherroepelijk in rechte is komen vast te staan in die staat?
(on)betrouwbaarheidvan die resultaten niet onherroepelijk in rechte is komen vast te staan in die staat?
in concretois vastgesteld dat al dan niet sprake is van een niet gerechtvaardigde schending van art. 8 lid 1 EVRM Pro bij de inzet van een opsporingsmiddel in die staat, heeft dit geen gevolgen voor het algemene vertrouwen dat in die staat wordt gesteld en dus voor de toepassing van het vertrouwensbeginsel. Mocht door een buitenlandse rechter onherroepelijk zijn vastgesteld dat enig ander door het EVRM aan de verdachte toegekend recht dan het recht op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM Pro in dat land is geschonden, dan mag de Nederlandse rechter er vanuit gaan dat de verdachte recht heeft op een daadwerkelijk rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM Pro voor een instantie van die staat. Verder mag de Nederlandse rechter er vanuit gaan dat voor zover de verdachte in die staat tevergeefs is opgekomen tegen een vermeende schending van enig ander recht dan zijn recht op een eerlijke proces of indien daartegen aldaar geen rechtsmiddel openstaat, voor hem de weg openstaat van een klacht bij het Europees Hof voor de Rechten van de mens.