ECLI:NL:PHR:2023:25

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
6 januari 2023
Publicatiedatum
6 januari 2023
Zaaknummer
22/03432
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:6 lid 1 WvggzArt. 5:8 lid 1 WvggzArt. 5:17 lid 3 WvggzArt. 6:2 lid 1 onder e WvggzArt. 6:4 Wvggz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad over geldigheidsduur en motivering van zorgmachtiging onder Wvggz

De zaak betreft een geschil over de geldigheidsduur van een aansluitende zorgmachtiging verleend door de rechtbank Rotterdam na een eerdere machtiging van de rechtbank Den Haag. De rechtbank Rotterdam verleende een zorgmachtiging voor twaalf maanden, terwijl de rechtbank Den Haag kort daarvoor een machtiging voor twee weken had verleend. Betrokkene stelde dat dit in strijd was met de wettelijke bepalingen.

De Hoge Raad oordeelt dat bij meerdere deelbeschikkingen over opeenvolgende perioden de totale duur van de machtigingen niet de wettelijke maximumduur van twaalf maanden mag overschrijden. De bestreden beschikking is daarom vernietigd en de zaak wordt afgedaan door de geldigheidsduur met twee weken te bekorten.

Daarnaast is het oordeel van de rechtbank dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, gerelateerd aan middelengebruik, voldoende gemotiveerd. De klacht dat de medische verklaring verouderd zou zijn, wordt verworpen omdat de verklaring minder dan acht weken oud was en er geen concrete feiten waren om de actualiteit te betwijfelen.

De Hoge Raad bevestigt dat een aansluitende zorgmachtiging zelfstandige rechtskracht heeft en dat bezwaren tegen een voorafgaande machtiging via het juiste rechtsmiddel moeten worden behandeld. De zaak bevat ook een uitgebreide bespreking van de toepasselijkheid van de Wvggz, de beslistermijnen en de vereisten voor medische verklaringen.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de zorgmachtiging van twaalf maanden wegens overschrijding van de maximale duur en bevestigt het oordeel over de psychische stoornis en medische verklaring.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/03432
Zitting6 januari 2023
CONCLUSIE
M.L.C.C. Lückers
In de zaak
[betrokkene]
tegen
de Officier van Justitie in het arrondissement Rotterdam
Partijen worden hierna verkort aangeduid als betrokkene respectievelijk de officier van justitie.

1.Inleiding en samenvatting

1.1
In deze Wvggz-zaak heeft de rechtbank Rotterdam een aansluitende zorgmachtiging verleend, nadat de rechtbank Den Haag vanwege haar relatieve onbevoegdheid de zaak naar deze rechtbank had verwezen en een zorgmachtiging voor twee weken had verleend. In cassatie wordt geklaagd over de geldigheidsduur van de verleende machtiging, de motivering van het oordeel dat sprake is van een psychische stoornis en de verwerping van het betoog dat de medische verklaring verouderd was.

2.Feiten en procesverloop

2.1
Bij beschikking van 13 december 2021 heeft de rechtbank Rotterdam ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging verleend voor de duur van zes maanden, tot en met 13 juni 2022.
2.2
Op 19 mei 2022 heeft de officier van justitie bij de rechtbank Rotterdam een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot verlening van een aansluitende zorgmachtiging ten aanzien van betrokkene. Bij dit verzoekschrift is onder meer een medische verklaring overgelegd, op 3 mei 2022 opgemaakt door een niet bij de behandeling betrokken psychiater.
2.3
De rechtbank Rotterdam heeft bij beschikking van 31 mei 2022 de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rechtbank Den Haag verwezen.
2.4
Bij beschikking van 9 juni 2022 heeft de rechtbank Den Haag een zorgmachtiging verleend met een geldigheidsduur tot en met 23 juni 2022, de behandeling van het verzoek voor het overige aangehouden en naar de rechtbank Rotterdam verwezen. [1]
2.5
De rechtbank Rotterdam heeft het verzoek behandeld op 22 juni 2022. Bij die gelegenheid zijn gehoord: de (waarnemer van de) advocaat van betrokkene, de sociaal-psychiatrisch verpleegkundige (de behandelaar), en de moeder van betrokkene. Betrokkene was niet ter zitting aanwezig, maar is met zijn instemming telefonisch door de rechtbank gehoord.
2.6
Bij op 22 juni 2022 mondeling gegeven beschikking heeft de rechtbank Rotterdam ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging verleend met een geldigheidsduur tot en met 22 juni 2023 en het meer of anders verzochte afgewezen.
2.7
Namens betrokkene is tijdig [2] cassatieberoep ingesteld van de beschikking van 22 juni 2022. De officier van justitie heeft geen verweer gevoerd.

3.Bespreking van het cassatiemiddel

3.1
Het middel omvat twee onderdelen. Het eerste onderdeel betreft de geldigheidsduur van twaalf maanden waarvoor de rechtbank de zorgmachtiging heeft verleend. Het tweede onderdeel betreft het oordeel dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis en de verwerping van het verweer dat de medische verklaring verouderd is.
3.2
Het eerste onderdeel bevat twee klachten die betrekking hebben op de gevolgen van de beschikking van de rechtbank Den Haag van 9 juni 2022 voor de geldigheidsduur van de zorgmachtiging die bij de bestreden beschikking door de rechtbank Rotterdam is verleend. De rechtbank Den Haag heeft op 9 juni 2022 een deelbeschikking gegeven waarin zij reeds gedeeltelijk op het verzoek van de officier van justitie heeft beslist door een zorgmachtiging tot en met 23 juni 2022 te verlenen, zij zich op grond van art. 1:6 lid 1 Wvggz Pro relatief onbevoegd heeft verklaard, en de behandeling van het verzoek voor het overige naar de rechtbank Rotterdam heeft verwezen (zie ook hiervoor onder 2.4).
3.3
De eerste klacht, onder 1.1, houdt in dat als ervan moet worden uitgegaan dat de rechtbank Den Haag een zorgmachtiging met een geldigheidsduur van twee weken heeft verleend, de rechtbank Rotterdam in strijd met art. 6:5 onder Pro b Wvggz een zorgmachtiging voor de duur van één jaar na 22 juni 2022 heeft verleend.
3.4
De tweede klacht, onder 1.2, betoogt dat als moet worden uitgegaan van de onbevoegdheid van de rechtbank Den Haag, deze rechtbank ook niet een zorgmachtiging voor twee weken heeft kunnen verlenen, en dat daarom de rechtbank Rotterdam na de verwijzing op het volledige verzoek moet beslissen. Op de datum dat de rechtbank Rotterdam de bestreden beschikking heeft gegeven, 22 juni 2022, was de wettelijke termijn om op het verzoek te beslissen per 10 juni 2022 verstreken en was de geldigheidsduur van de vorige zorgmachtiging per 14 juni 2022 verstreken. Dat betekent volgens de klacht dat de rechtbank Rotterdam niet een aansluitende zorgmachtiging voor de duur van twaalf maanden heeft kunnen verlenen. Ter zitting heeft de advocaat ook aangevoerd dat wettelijk gezien slechts een zorgmachtiging voor een half jaar zou kunnen worden verleend maar de rechtbank heeft niet op dit verweer gereageerd, aldus de klacht.
3.5
Op grond van art. 6:5 Wvggz Pro aanhef en onder a en b Wvggz verleent de rechter een zorgmachtiging voor de duur die noodzakelijk is om het doel van verplichte zorg te realiseren, maar maximaal voor twaalf maanden indien het een zorgmachtiging betreft die aansluit op een zorgmachtiging als bedoeld in onderdeel a van deze bepaling (te weten: een zorgmachtiging, verleend voor de duur van maximaal zes maanden).
3.6
Art. 6:6 lid 2 Wvggz Pro bepaalt dat indien uiterlijk vier weken voor het verstrijken van de geldigheidsduur van een zorgmachtiging een verzoek om een aansluitende zorgmachtiging is ingediend, de eerdere machtiging vervalt als de rechter op het verzoek heeft beslist of door het verstrijken van de beslistermijn van art. 6:2 lid 1 onder Pro e Wvggz (drie weken). Is deze vier weken-termijn niet in acht genomen dan vervalt de zorgmachtiging wanneer de geldigheidsduur daarvan is verstreken (art. 6:6 lid 1 onder Pro a Wvggz). Wanneer de rechtbank op het verzoek beslist nadat de eerdere zorgmachtiging is vervallen dan kan bij toewijzing niet meer sprake zijn van een ‘aansluitende zorgmachtiging’ als bedoeld in art. 6:5 aanhef Pro en onder b Wvggz. In zo’n geval kan de rechtbank nog wel een ‘gewone’, niet op de vorige zorgmachtiging aansluitende nieuwe zorgmachtiging verlenen voor de duur van zes maanden. [3]
3.7
Onder de Wet Bopz is in een beschikking van de Hoge Raad uit 2001 de vraag aan de orde gekomen of de rechter in een ‘deelbeschikking’ [4] een machtiging kan verlenen voor een deel van de verzochte geldigheidsduur onder aanhouding van iedere verdere beslissing wat betreft het restant van deze geldigheidsduur. De beslissing over de resterende geldigheidsduur zal dan doorgaans buiten de wettelijke beslistermijn vallen. De Hoge Raad overwoog dat de rechter in beginsel binnen de in art. 17 lid 2 Wet Pro Bopz gestelde termijn dient te beslissen op de vordering zoals die door de officier van justitie is ingesteld, doch dat hij op grond van bijzondere omstandigheden de beslissing met betrekking tot de totale duur van de periode van voortgezet verblijf voor een korte termijn kan aanhouden, omdat geen wettelijke bepaling zich daartegen verzet. [5] In de feitenrechtspraak en literatuur is hieruit opgemaakt dat de beslissing op één verzoek kan worden gesplitst in twee of meer (deel)beschikkingen ten aanzien van verschillende perioden. [6] De vraag of een deelbeschikking ook onder de Wvggz toelaatbaar is - en dan met name in het licht van de regeling van de beslistermijn in art. 6:2 Wvggz Pro - is door de Hoge Raad nog niet beantwoord. [7] Deze vraag wordt volgens mij als zodanig echter niet door het middel aan de orde gesteld en kan daarom hier verder onbesproken blijven.
3.8
De eerste klacht slaagt naar mijn mening. Op het verzoek van de officier van justitie van 19 mei 2022 heeft de rechtbank Rotterdam bij de bestreden beschikking een zorgmachtiging voor de duur van twaalf maanden, tot 22 juni 2023, verleend nadat de rechtbank Den Haag bij beschikking van 9 juni 2022 reeds gedeeltelijk op hetzelfde verzoek had beslist door een zorgmachtiging voor de duur van twee weken, tot 22 juni 2022, te verlenen. Indien naar aanleiding van één verzoek bij (deel)beschikkingen meerdere zorgmachtigingen voor opeenvolgende tijdvakken worden verleend, dan mag m.i. de totale duur van deze machtigingen niet het wettelijk maximum van twaalf maanden overschrijden. [8] De bestreden beschikking is daarom in strijd met art. 6:5 Wvggz Pro.
3.9
De Hoge Raad zou de zaak zelf kunnen afdoen door, na vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, de geldigheidsduur van de verleende zorgmachtiging met twee weken te bekorten.
3.1
De tweede klacht slaagt niet. Op 22 juni 2022 was de situatie aldus dat op grond van de door de rechtbank Den Haag gegeven beschikking van 9 juni 2022 een aansluitende zorgmachtiging is verleend voordat de vorige zorgmachtiging was vervallen. In de bestreden beschikking heeft de rechtbank Rotterdam van die situatie uit kunnen gaan. Wie een beschikking van de burgerlijke rechter wil bestrijden, dient het rechtsmiddel aan te wenden dat volgens de wet tegen die beschikking open staat. Het is niet mogelijk, althans zinloos, bezwaren in te brengen tegen de voorafgaande rechterlijke machtiging. In de woorden van Dijkers: “De rechter die tot taak heeft te beslissen of hij tot (continuering van) een dwangopneming of tot ambulante drang machtigt zal moeten beslissen of - op het tijdstip van zijn beslissing - nog steeds aan de voorwaarden daarvoor wordt voldaan (…). Die beoordeling vindt in beginsel plaats onafhankelijk van de formele en materiële aspecten van de voorafgaande beschikking(en).” [9]
Een beschikking tot verlening van een aansluitende zorgmachtiging voor een deelperiode heeft dus zelfstandige betekenis en verliest haar rechtskracht niet in geval van vernietiging van de voorafgaande beschikking. [10]
3.11
Het tweede onderdeel is gericht tegen rov. 2.2 van de bestreden beschikking. Na te hebben vastgesteld dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, te weten een psychotische stoornis, gerelateerd met middelengebruik, heeft de rechtbank in rov. 2.2 overwogen:
“2.2. Anders dan de advocaat tijdens de mondelinge behandeling bepleit acht de rechtbank voldoende gebleken dat het gedrag van betrokkene als gevolg van zijn psychische stoornis leidt tot ernstig nadeel, gelegen in het bestaan van of het aanzienlijk risico op ernstige psychische schade, ernstige verwaarlozing, maatschappelijke teloorgang en bedreiging van de veiligheid van betrokkene al dan niet doordat hij onder invloed van een ander raakt.
Betrokkene heeft een persisterende middelenverslaving, waardoor hij uiteenlopende psychische klachten heeft. Bij betrokkene is er tijdens een psychose sprake van paranoïde en psychotische belevingen die mogelijk door het drugsgebruik worden versterkt. Betrokkene is intussen uit zijn huis gezet, omdat hij drugsdealers in zijn woning toeliet. Hij verwaarloosde en vervuilde zijn woning. Ook liet betrokkene in ruil voor drugs mensen in zijn woning slapen. Volgens de moeder van betrokkene is betrokkene fysiek mishandeld door één van deze mensen. Betrokkene is vermagerd en zorgt slecht voor zichzelf. Hij slaapt momenteel in een park in [plaats].
De behandelaar verklaart tijdens de mondelinge behandeling dat er veel zorgen om betrokkene zijn. Betrokkene is ambivalent in zijn beslissingen. Hij heeft al enige tijd geen antipsychoticatabletten ingenomen. Hierdoor is er een groot risico op een psychose. Ook werkt de orale medicatie tot op heden niet naar wens, waardoor de behandelaar betrokkene opnieuw op een depot wil instellen. Betrokkene wil niet in een vrijwillig kader hieraan meewerken. De behandelaar acht het noodzakelijk dat betrokkene zo snel mogelijk voor een klinische behandeling wordt opgenomen, omdat betrokkene elk moment een terugval kan krijgen
De moeder verklaart tijdens de mondelinge behandeling dat betrokkene beter af is met een depot. De moeder heeft in het verleden aanzienlijk verbetering in het psychotisch toestandsbeeld van betrokkene gezien. Betrokkene is sinds het depotmedicatie niet meer psychotisch geweest. Volgens de moeder zal betrokkene zijn tabletten niet consequent innemen.
De advocaat stelt tijdens de mondelinge behandeling dat de rechtbank onbevoegd is om een beslissing op het verzoek te nemen. Ook is er volgens de advocaat sprake van een verouderde medische verklaring.
De rechtbank is van oordeel dat zij bevoegd is om een beslissing op het verzoek van de officier te nemen, omdat betrokkene dak- en thuisloos is en niet mag worden benadeeld Verder is de rechtbank van oordeel dat volgens de Hoge Raad een medische verklaring als verouderd wordt gezien als deze meer dan 8 weken oud is. Dit is in de situatie van betrokkene niet het geval en er geen aanleiding is een kortere periode in dit geval aan te houden.”
3.12
Ik lees in het onderdeel drie klachten.
3.13
Volgens de eerste klacht (onder I en 2.1) heeft de rechtbank onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd dat sprake is van een psychische stoornis. Daartoe wordt erop gewezen dat de advocaat ter zitting heeft aangevoerd dat betrokkene niet psychotisch is en dat de behandelaar heeft gezegd dat betrokkene al enige tijd geen antipsychoticamedicatie heeft ingenomen. Het risico op een psychose is volgens de klacht geen grond om aan te nemen dat sprake is van een psychotische stoornis.
3.14
Deze klacht faalt. In de medische verklaring onder 6.b. heeft de rapporterend psychiater vermeld: “Er is terugkerend sprake van paranoïde en psychotische belevingen welk op zijn minst door het drugsgebruik versterkt worden”. Dat betrokkene ten tijde van de mondelinge behandeling niet psychotisch zou zijn hoewel hij al enige tijd geen antipsychotica had ingenomen, doet in het licht van deze passage niet af aan de begrijpelijkheid van het oordeel dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis die leidt tot ernstig nadeel. Overigens blijkt uit de bestreden beschikking noch het procesdossier dat tijdens de mondelinge behandeling namens betrokkene een beroep op deze omstandigheid is gedaan.
3.15
Volgens de tweede klacht (onder 2.2) overweegt de rechtbank dat betrokkene een persisterende middelenverslaving heeft waardoor hij uiteenlopende klachten heeft, maar verzuimt zij daarbij de rechtspraak van de Hoge Raad met betrekking tot verslavingsproblematiek te betrekken.
3.16
De Hoge Raad heeft geoordeeld dat verslaving aan middelen als alcohol en drugs op zichzelf niet tot toepassing van de Wvggz kan leiden. Er moet om tot toepassing van de Wvggz te komen sprake zijn van een psychische stoornis van zodanige ernst dat het denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen daardoor zo ingrijpend worden beïnvloed dat de betrokkene het veroorzaakte gevaar niet kan worden toegerekend, omdat de stoornis de gevaarvolle daden van de betrokkene overwegend beheerst. Deze psychische stoornis kan voortvloeien uit of samenhangen met de verslaving aan middelen. Het kan ook gaan om een van de verslaving losstaande psychische stoornis van andere aard (‘comorbiditeit’). [11]
3.17
Naar mijn mening heeft de rechtbank deze rechtspraak niet miskend. Aan het oordeel dat sprake is van een psychische stoornis heeft de rechtbank ten grondslag gelegd dat uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat betrokkene lijdt aan een psychotische stoornis, gerelateerd met middelengebruik. De rechtbank heeft verder vastgesteld dat betrokkene een persisterende middelenverslaving heeft, waardoor hij uiteenlopende psychische klachten heeft, en dat bij betrokkene tijdens een psychose sprake is van paranoïde en psychotische belevingen die mogelijk door het drugsgebruik worden versterkt. In dit een en ander ligt m.i. besloten dat de psychische stoornis van betrokkene voortvloeit of samenhangt met zijn middelenverslaving en de gevaarvolle daden van betrokkene overwegend beheerst. De tweede klacht faalt daarom.
3.18
Volgens de derde klacht (onder 2.1 en 2.3) heeft de rechtbank haar beslissing gebaseerd op een verouderde medische verklaring. Betoogd wordt dat de medische verklaring dateert van 3 mei 2022 en op 22 juni 2022 vijftig dagen oud was. Betrokkene gebruikt kennelijk geen antipsychotische medicatie en is niet psychotisch. “Het kan zo zijn dat medische informatie soms niet als verouderd kan worden beschouwd als deze minder dan acht weken oud is, maar in dit geval is de situatie van betrokkene op 22 juni 2022 een heel andere dan in de stukken staat en dan kan niet volstaan worden met de gegevens die voorhanden waren en zelfs niet hebben geleid tot een gedwongen opname die onder de vorige zorgmachtiging gewoon mogelijk was”, aldus nog steeds de klacht.
3.19
Uit art. 5:8 lid 1 Wvggz Pro in verbinding met art. 5:17 lid 3 Wvggz Pro en art. 6:4 Wvggz Pro volgt dat een rechter slechts een zorgmachtiging mag verlenen indien uit een medische verklaring van een psychiater over de actuele gezondheidstoestand van de betrokkene blijkt dat uit diens gedrag als gevolg van zijn psychische stoornis ernstig nadeel voortvloeit. De rechter dient uit te gaan van de toestand ten tijde van zijn beslissing (toetsing ‘ex nunc’). [12] Volgens het EHRM moet de medische beoordeling zijn gebaseerd op “the actual state of mental health of the person concerned and not solely on past events. A medical opinion cannot be seen as sufficient to justify deprivation of liberty if a significant period of time has elapsed.” [13]
3.2
De ‘houdbaarheid’ van een medische verklaring is niet alleen afhankelijk van het enkele tijdsverloop sinds het onderzoek waarop de verklaring is gebaseerd, maar ook van andere omstandigheden zoals de consistentie van het ziektebeeld en de aard van de ziekte. [14] Als er twijfel rijst over de actuele waarde van de resultaten van een medische onderzoek en daarbij een beroep wordt gedaan op nieuwe feiten of omstandigheden, zal de rechter nadere informatie moeten opvragen. Dezelfde werkwijze kan worden gevolgd wanneer weliswaar geen beroep op nieuwe feiten is gedaan, maar inmiddels zoveel tijd is verstreken sinds het afgeven van de medische verklaring dat de rechter betwijfelt of de medische verklaring nog steeds bruikbaar is als bewijs van de actuele gezondheidstoestand van de betrokkene.
3.21
In dit geval zijn zeven weken verstreken tussen het opmaken van de medische verklaring op 3 mei 2022 en de beslissing van de rechtbank op 22 juni 2022. Dat dit tijdsverloop op zichzelf voor de rechtbank geen reden is geweest om de actualiteit van de verklaring in twijfel te trekken, is volgens mij niet onbegrijpelijk. Uit de bestreden beschikking en de overige processtukken blijkt niet dat het namens betrokkene gevoerde verweer dat de verklaring is verouderd met concrete feiten en omstandigheden is onderbouwd. Dat ter zitting door de advocaat is opgemerkt dat betrokkene niet psychotisch is terwijl de behandelaar heeft gezegd dat betrokkene al enige tijd geen antipsychoticatabletten heeft ingenomen, dwong de rechtbank ook niet om nader te motiveren waarom zij niet twijfelt over de actuele waarde van de medische verklaring. Hierop stuit de derde klacht naar mijn mening af.

4.Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 22 juni 2022 en tot afdoening van de zaak door de Hoge Raad op de wijze als vermeld onder 3.9.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Van deze beschikking is eveneens namens betrokkene cassatieberoep ingesteld. In deze cassatieprocedure, met zaaknummer 22/03342, heeft A-G Wesseling-van Gent op 21 november 2022 een conclusie genomen die strekt tot vernietiging van de beschikking van 9 juni 2022 (ECLI:PHR:2022:1085). Ten tijde van het nemen van de conclusie in de onderhavige zaak heeft de Hoge Raad nog niet beslist.
2.De procesinleiding is op 15 september 2022 ingediend in het portaal van de Hoge Raad.
3.Vgl. de conclusie van Plv. P-G Langemeijer (onder 3.5-3.7) voor HR 4 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:818, NJ 2021/234 m.nt. J. Legemaate; de redactionele noot bij deze beschikking in JGz 2021/60; W.J.A.M. Dijkers, SDU Commentaar Gedwongen zorg, art. 6:6 Wvggz Pro, aant 1.3.
4.Onder een deelbeschikking wordt verstaan een beschikking waarin door een uitdrukkelijk dictum een einde wordt gemaakt aan een deel van het verzochte en de zaak voor het overige wordt aangehouden (deels eindbeschikking en deels tussenbeschikking); zie Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2022/113.
5.HR 22 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2240, NJ 2001/437, BJ 2001/37 m.nt. W.J.A.M. Dijkers, rov. 3.4.
6.Zie W.J.A.M. Dijkers, SDU Commentaar Gedwongen zorg, art. 6:4 Wvggz Pro, aant. C.7.6; dezelfde, SDU Commentaar Gezondheidsrecht, commentaar art. 2 t/m 35 Wet Bopz, aant. C.10.
7.Vgl. W.J.A.M. Dijkers, SDU Commentaar Gedwongen zorg, art. 6:4 Wvggz Pro, aant. C.7.6; de conclusie van plv. P-G Langemeijer (onder 2.7) voor HR 2 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1048, RvdW 2021/735, JGz 2021/76 m.nt. F. Westenberg (art. 81 lid 1 RO Pro); Westenberg in zijn noot bij JGz 2021/76.
8.Vgl. de conclusie van plv. P-G Langemeijer (onder 2.14) voor HR 2 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1048, RvdW 2021/735; W.J.A.M. Dijkers, SDU Commentaar Gedwongen zorg, art. 6:4 Wvggz Pro, aant. C.7.6.
9.W.J.A.M. Dijkers, SDU Commentaar Gedwongen zorg, art. 6:4 Wvggz Pro, aant. C.2.4. Vgl. de conclusie van plv. P-G Langemeijer (onder 2.3) voor HR 6 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1114, NJ 2018/320, JGz 2018/36 m.nt. red. en de conclusie (onder 2.5) voor HR 18 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1612, RvdW 2019/1080.
10.Vgl. Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-I 2020/420 (slot) onder verwijzing naar HR 22 oktober 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1112, NJ 1994/66, betreffende de verlenging van de uithuisplaatsing van een onder toezicht gestelde minderjarige; de conclusie van A-G Langemeijer (onder 2.18) voor HR 27 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2017, NJ 2007/261; HR 13 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:33, NJ 2017/49, rov. 3.5.3; HR 17 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1314, NJ 2020/311, rov. 3.2.
11.HR 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:559, NJ 2022/161, JGz 2022/21; HR 14 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1433, RvdW 2022/975.
12.Vgl. HR 5 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1017, NJ 2020/348 m.nt. J. Legemaate, rov. 3.3.2.
13.EHRM 5 oktober 2000, ECLI:NL:XX:2000:AS7846 (Varbanov t. Bulgarije), BJ 2001/36 m.nt. W. Dijkers, punt 47.
14.Zie de conclusie van plv. P-G Langemeijer (onder 2.2) voor HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3251, NJ 2018/47; de conclusie (onder 2.6) voor HR 13 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA747; W.J.A.M. Dijkers, SDU Commentaar Gezondheidsrecht, 2016, art. 5 Wet Pro Bopz, aant. 1.2.2. Volgens J.F. Biesma, SDU Commentaar Gedwongen zorg, art. 5:8 Wvggz Pro, wordt in jurisprudentie een medische verklaring die op het moment van beoordeling meer dan zes weken oud is, niet meer als actueel beschouwd, maar hij vermeldt niet op welke jurisprudentie dit is gebaseerd. Zie ook mijn conclusie voor HR 16 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1216 onder 2.11- 2.16 waar geklaagd werd over de actualiteit van een medische verklaring die meer dan drie maanden oud was (afgedaan met art. 81 lid 1 RO Pro).