Uitspraak
wonende te [woonplaats],
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
2 juli 2021.
Hoge Raad
Betrokkene heeft cassatieberoep ingesteld tegen beschikkingen van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 24 december 2020 en 7 januari 2021, die betrekking hadden op de termijn van een aansluitende zorgmachtiging onder de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz).
De Hoge Raad heeft de klachten van betrokkene beoordeeld maar geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van de bestreden beschikkingen. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om de klachten inhoudelijk te motiveren, omdat beantwoording ervan niet relevant is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
De conclusie van de Advocaat-Generaal strekte tot verwerping van het cassatieberoep, waarop de advocaat van betrokkene schriftelijk heeft gereageerd. De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.
De Hoge Raad heeft bij beschikking van 2 juli 2021 het beroep verworpen, waarbij de vicepresident en raadsheren gezamenlijk het vonnis hebben gewezen en de uitspraak in het openbaar is gedaan door raadsheer M.J. Kroeze.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep tegen de beschikkingen van de rechtbank.