Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/03404
Zitting6 januari 2023
CONCLUSIE
G. Snijders
In de zaak
[eiser],
eiser tot cassatie,
verweerder in het incident,
advocaten: B.T.M. van der Wiel en T. van Tatenhove
tegen
Stichting Staedion,
verweerster in cassatie,
eiseres in het incident,
advocaten: P.A. Fruytier en J.P. Heering
Partijen worden hierna aangeduid als [eiser] respectievelijk Staedion.
1.Inleiding
Staedion vordert in dit incident op grond van art. 414 (jo art. 224) Rv dat [eiser] wordt bevolen om zekerheid te stellen voor de proceskosten in cassatie. [eiser] heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad.
2.Geschil in de hoofdzaak en procesverloop voor zover van belang
2.1
De procedure betreft een geschil tussen partijen met betrekking tot de koop van een perceel grond. In eerste aanleg was eiser [A] B.V., een Nederlandse vennootschap, die diverse bedragen van Staedion vorderde (in totaal in hoofdsom € 4.750.000,-). Bij vonnis van 19 februari 2020 heeft de rechtbank deze vorderingen afgewezen. [1]
2.2
Als rechtsopvolger onder bijzondere titel heeft [eiser] hoger beroep van dit vonnis ingesteld. Staedion heeft in hoger beroep een incidentele vordering ingesteld op grond van art. 224 Rv tot het stellen van zekerheid voor de proceskosten in hoger beroep. Die vordering heeft het hof bij arrest van 15 juni 2021 toegewezen. [2] Het heeft daarbij verwezen naar het feit dat [eiser] geen woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland heeft als bedoeld in art. 224 lid 1 Rv, want in Singapore woont. Het heeft geoordeeld dat geen van de uitzonderingen genoemd in art. 224 lid 2 Rv zich voordoet (rov. 2.1 en 2.2).
2.3
Bij arrest van 14 juni 2022 heeft het hof in de hoofdzaak het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. [3]
2.4
[eiser] heeft tijdig cassatieberoep tegen het arrest van het hof ingesteld. [4]
2.5
Op 18 november 2022 heeft Staedion de onderhavige incidentele vordering ingesteld, in en tegelijk met haar verweerschrift in de hoofdzaak. Op 16 december 2022 heeft [eiser] in het incident een verweerschrift tot referte ingediend.
2.6
In de hoofdzaak zijn de schriftelijke toelichtingen bepaald op 24 maart 2023.
3.Bespreking incidentele vordering
3.1
Niet in geschil is dat [eiser] in Singapore woont en dus ‘zonder woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland’ is als bedoeld in het eerste lid van art. 224 Rv, welk artikel in art. 414 Rv ook van toepassing wordt verklaard in cassatie. Vaststaat dat hij (rechtsopvolger van) oorspronkelijk eiser is en dat op grond van de art. 224 en 414 Rv dus zekerheidsstelling voor de proceskosten tegen hem gevorderd kan worden.
3.2
Zie ik het goed, dan bestaat tussen Nederland en Singapore geen verdrag dat meebrengt dat geen zekerheidsstelling voor de proceskosten kan worden bevolen tegen ingezetenen van Singapore. Partijen voeren ook niet aan dat zo’n verdrag bestaat. Staedion wijst op rechtspraak waarin is aangenomen dat zo’n verdrag niet bestaat. [5] Een van de uitzonderingen van art. 224 lid 2, aanhef en onder a of b, Rv doet zich dus niet voor.
Gesteld noch gebleken is dat een van de andere uitzonderingen van art. 224 lid 2 Rv zich voordoet. De vordering is dus toewijsbaar.
3.3
Staedion wijst erop dat [eiser] de proceskosten in eerste aanleg en hoger beroep niet volledig heeft voldaan, namelijk niet voor zover deze de door het hof bevolen zekerheidsstelling te boven gaan. [6] Ik merk daarom volledigheidshalve op dat geen zekerheidsstelling kan worden gevorderd voor niet-betaalde kosten van vorige instanties. [7] Die zekerheidsstelling vordert Staedion dan ook niet.
3.4
Wel vordert Staedion zekerheidsstelling voor het griffierecht dat zij in cassatie heeft voldaan – zijnde een bedrag van € 7.115,-, naar zij stelt en naar de griffie van de Hoge Raad mij heeft bevestigd –, de te verwachten kostenveroordeling voor salaris advocaat in de hoofdzaak in cassatie – het reguliere bedrag van € 2.200,- in geval van een verwerping van het cassatieberoep in een vorderingszaak (zie het liquidatietarief van de Hoge Raad op diens website) – de te verwachten kostenveroordeling voor salaris advocaat in dit incident – volgens haar € 800,-, hetgeen inderdaad het hiervoor gebruikelijke bedrag is (zie opnieuw genoemd liquidatietarief) – en de nakosten – € 157,- volgens haar. [8] Dit zijn allemaal kosten die onder art. 224 lid 1 Rv vallen en waarover de zekerheidsstelling zich dus kan uitstrekken. [9]
3.5
Hoewel [eiser] zich in dit incident heeft gerefereerd, bestaat m.i. geen grond om van een kostenveroordeling in het incident af te zien. [eiser] heeft immers niet aangevoerd dat Staedion dit incident onnodig is begonnen, omdat [eiser] ook zonder beslissing van de Hoge Raad bereid was om de verlangde zekerheid te stellen. [10] Dat zo zijnde is een veroordeling van [eiser] in de kosten van dit incident op zijn plaats.
3.6
Het voorgaande betekent dat de gevorderde zekerheidsstelling, ten bedrage van € 10.272,- (het totaal van de hiervoor in 3.4 genoemde bedragen), toewijsbaar is.
3.7
Staedion heeft aangevoerd zekerheid te wensen in de vorm van een storting op de derdengeldenrekening van het kantoor van de cassatieadvocaten van [eiser]. Over deze wens behoeft in dit incident niet te worden beslist. Art. 224 lid 5 Rv houdt slechts in dat de uitspraak waarbij het stellen van zekerheid wordt bevolen, de som uitdrukt tot beloop waarvan de zekerheid moet worden verstrekt. Het is aan de veroordeelde om te bepalen hoe hij zekerheid stelt. Te dien aanzien gelden slechts de eisen van art. 6:51 lid 2 BW, te weten dat de aangeboden zekerheid ‘behoorlijke dekking’ moet vormen voor hetgeen verschuldigd zal zijn, en dat de schuldeiser daarop ‘zonder moeite verhaal’ moet kunnen nemen. [11]
3.8
De rechter kan op de vraag of bepaalde zekerheid voldoet, eventueel wel al ingaan bij het bevel tot het stellen daarvan. [12] Daarom merk ik op dat storting op de derdengeldenrekening van de eigen advocaat in beginsel voldoende kan worden geacht. [13] Dat is ook wat [eiser] in zijn verweerschrift tot referte heeft aangeboden. Staedion heeft niet aangevoerd dat deze vorm van zekerheid in dit geval niet aan genoemde eisen van art. 6:51 lid 2 BW voldoet.
3.9
Staedion verlangt mede dat [eiser] wordt bevolen om aanvullende zekerheid te stellen voor het geval dat blijkt dat de zekerheid die op grond van het in dit incident te wijzen arrest moet worden gesteld, niet voldoende is. [14] Voor deze veroordeling zie ik in dit geval geen grond, nu Staedion niet heeft toegelicht dat en waarom het hiervoor in 3.6 genoemde bedrag mogelijk te laag zal zijn en dat zonder die toelichting niet onmiddellijk valt in te zien. Staedion heeft op dit punt niets aangevoerd. Zij heeft zelfs geen bedrag voor deze aanvullende zekerheid genoemd, zodat het ook niet goed mogelijk is om te voldoen aan het genoemde voorschrift van art. 224 lid 5 Rv, dat de uitspraak waarbij het stellen van zekerheid wordt bevolen, de som vermeldt waarvoor zekerheid moet worden gesteld. Dit onderdeel van de vordering is dus onvoldoende onderbouwd.
3.1
Staedion verlangt tot slot, naar ik begrijp, dat een termijn wordt gesteld waarbinnen de zekerheid moet zijn gesteld op straffe van niet-ontvankelijkheid van [eiser] in zijn cassatieberoep. [15] Dit verlangen valt wel in te willigen. Uit de aard van het in de art. 224 en 414 Rv bepaalde volgt dat oorspronkelijk eiser niet-ontvankelijk is in zijn beroep als (en zolang, ben ik geneigd eraan toe te voegen) hij geen zekerheid stelt. Art. 224 Rv geeft echter niet de mogelijkheid om een (fatale) termijn te stellen voor het verstrekken van de zekerheid. Art. 616 Rv, dat het stellen van processuele zekerheid in het algemeen regelt, geeft die mogelijkheid wel (in lid 3), met de mogelijkheid te bepalen dat de zekerheid binnen de gestelde termijn moet zijn gesteld of aangeboden ‘op straffe van verval van de bevoegdheid met het oog op welker uitoefening de zekerheidstelling is bevolen’ (art. 616 lid 3, aanhef en onder a, Rv), en met ook de mogelijkheid van termijnverlenging (art. 616 lid 4 Rv). Art. 616 Rv is ook van toepassing te achten op de zekerheid bedoeld in de art. 224 en 414 Rv. [16] In de rechtspraak van de Hoge Raad op art. 414 Rv wordt art. 616 lid 3 Rv dan ook toegepast. [17] Aan het bevel valt dan ook een termijn te verbinden met genoemde sanctie.
4.Conclusie
De conclusie strekt tot het bevelen van het stellen van zekerheid voor de proceskosten van de cassatieprocedure door [eiser] voor een bedrag van € 10.272,- binnen twee weken na de datum van het arrest in het incident en tot veroordeling van [eiser] in de kosten van het incident, onder afwijzing van het meer of anders door Staedion gevorderde.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
A-G