Conclusie
eerste middelheeft betrekking op de verwerping door het hof van enkele op art. 359a Sv toegesneden verweren. Het middel bevat een aantal deelklachten die in essentie neerkomen op een voortzetting van bij het hof gevoerde verweren. Op deze deelklachten ga ik na het weergeven van de relevante onderdelen uit het bestreden arrest nader in.
registratie geopend.
12.12. [d-straat 1] TE [plaats 1]
13.13. MELD MISDAAD ANONIEM
werd nader onderzoek verricht op internet/Facebook. Gedurende dit onderzoek werd een [betrokkene 13] aangetroffen welke woonachtig zou zijn in [plaats 4], Zweden. Uit de Facebookgegevens bleek dat hij interesse had in zigeuners/Roma.
Inmiddels zijn er - sinds de eerste inzage - jaren verstreken. Het hof acht het daarbij niet ondenkbaar dat stukken van een onderzoek - dat reeds lang geleden is afgerond - op enig moment in het ongerede zijn geraakt, waaronder (persoonlijke) handgeschreven aantekeningen. Echter, het hof is van oordeel dat in de onderhavige zaak geen sprake is van een situatie waarin aan het recht van verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak op zodanige wijze tekort is gedaan, dat sprake is van een onherstelbare inbreuk op dat recht die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze in hoger beroep is gecompenseerd.
Met betrekking tot dit onderdeel constateert het hof geen onrechtmatigheden en komt het hof derhalve niet toe aan de vraag of eventuele onrechtmatigheden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie zouden moeten leiden.
ik wil nog wel opmerken dat de eerste informatieverstrekking door [familie 1] spontaan en niet op vragen van de Belastingdienst plaatsvond. Zij deden dit ter onderbouwing van het bezwaar tegen de reeds opgelegde aanslagen. Ze brachten toen een stapel met daarin een grotendeels soortgelijk pakketje per subject waaronder leningsovereenkomsten.’
NJ2021, 169, m.nt. Jörg). Uit de uitvoerige overwegingen van het hof blijkt naar mijn idee dat verschillende pogingen zijn ondernomen om eventuele lacunes in de dossiervorming te verhelpen, terwijl het hof de vraag of er uiteindelijk daadwerkelijk stukken hebben ontbroken in het midden heeft gelaten. De bij de verdediging levende overtuiging dat de stukken niet compleet zouden zijn vindt haar oorsprong in hoofdzaak in het feit dat de verdediging in eerste aanleg inzage zou hebben gekregen in enkele tientallen dozen waarvan een gedeelte, volgens de verdediging, in appel niet meer vindbaar bleek. Welke stukken in deze fase precies ontbraken is door de verdediging volgens het hof onvoldoende gesubstantieerd. Dat het hof dit aan de verdediging heeft tegengeworpen acht ik niet onbegrijpelijk. Uiteraard kan niet van de verdediging gevergd worden dat alle ter inzage aangeboden stukken haar, ook jaren later, nog gedetailleerd voor de geest staan. Maar indien sprake zou zijn van aanknopingspunten die een schending van art. 6 EVRM Pro in beeld zouden brengen zou, naar het mij voorkomt, van de verdediging wel een in enige mate nader toegelicht verzoek mogen worden verwacht waarin wordt ingegaan op de aard en/of globale inhoud van de vermeendelijk ontbrekende stukken alsmede de aard van de (dreigende) schending van art. 6 EVRM Pro. Voor wat betreft de klacht dat sprake zou zijn van ontoelaatbare gegevensuitwisseling (de vierde deelklacht) geldt dat, zo al sprake zou zijn van enig vormverzuim, mij niet duidelijk wordt op welke manier dit zou resulteren in een met bewijsuitsluiting of niet-ontvankelijkheid te sanctioneren schending van het recht op een eerlijk proces. Dat sprake zou zijn van een schending van art. 8 EVRM Pro en langs die weg besloten zou moeten worden tot bewijsuitsluiting is mij evenmin gebleken en, voor zover ik kan zien, ter zitting in hoger beroep ook niet aangevoerd.
tweede middelheeft betrekking op het onder 1 tenlastegelegde. Het is gericht tegen het oordeel van het hof dat de verdachte van het medeplegen van witwassen een ‘gewoonte’ heeft gemaakt.
derde middelheeft betrekking op het onder 3 tenlastegelegde. Het bevat de klacht dat de bewezenverklaring, mede in het licht van hetgeen ter zitting is aangevoerd onvoldoende met redenen is omkleed.
vierde middelheeft betrekking op het onder 4 tenlastegelegde. Het bevat de klacht dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen zou zijn omkleed en valt uiteen in een drietal deelklachten, die ik hieronder, na het weergeven van de relevante passages uit het arrest, kort bespreek.
aanvullende middelheeft betrekking op het gebruik van een onjuiste tekst bij beëdigingen in het hof ’s-Hertogenbosch. Het bevat de klacht dat – nu ook in de onderhavige zaak één of meerdere raadsheren niet op de door de wet voorgeschreven wijze beëdigd is/zijn – sprake zou zijn van een fundamenteel gebrek dat tot nietigheid zou moeten leiden.