Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beoordeling van de namens de benadeelde partij Ikea BV ingediende schriftuur
5.Beslissing
24 november 2015.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van verdachte tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 11 juli 2014. De zaak betrof deelname aan een criminele organisatie die zich bezighield met gewoontewitwassen, valsheid in geschrifte, oplichting en het doen van onjuiste belastingaangiften.
Verdachte voerde onder meer aan dat bewijsmateriaal, bestaande uit ordners met administratie, onrechtmatig was verkregen omdat dit materiaal wilsafhankelijk was en onder dwang was afgegeven, in strijd met het nemo tenetur-beginsel (art. 6 EVRM Pro). Het hof oordeelde dat de ordners niet als wilsafhankelijk materiaal konden worden aangemerkt omdat de medewerking van verdachte niet leidde tot afgifte onder dwang, en dat de cautie tijdig was gegeven.
Daarnaast werd de vordering van de benadeelde partij Rabobank Zuidwest Friesland tot schadevergoeding toegewezen wegens rechtstreeks geleden schade door het bewezenverklaarde handelen van verdachte. De Hoge Raad vond het oordeel van het hof hierover niet onbegrijpelijk en wees het cassatieberoep af.
De schriftuur van de benadeelde partij Ikea BV werd niet-ontvankelijk verklaard omdat deze niet voldeed aan de vereisten voor cassatiemiddelen. Het arrest werd op 24 november 2015 uitgesproken door de Hoge Raad, waarbij het beroep werd verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bekrachtigd inclusief toewijzing van schadevergoeding aan Rabobank.