Conclusie
Nummer20/04350
Het eerste namens de verdachte voorgestelde middel
eerstemiddel betreft de bewijsvoering van feit 1 in de zaak met parketnummer 09-857213-16. Voordat ik het middel bespreek geef ik de bewezenverklaring, de bewijsmiddelen en ’s hofs bewijsoverweging weer.
1. Een proces-verbaal van aangifted.d. 16 maart 2016 van de politie Eenheid Den Haag ([…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven – (…):
als de op 16 maart 2016 afgelegde verklaring van [aangever ] :
als de op 17 mei 2016 afgelegde verklaring van [aangeefster] :
als de op 15 maart 2016 afgelegde verklaring van de verdachte:
Het tweede en derde namens de verdachte voorgestelde middel
tweedeen
derdemiddel betreffen de bewijsvoering van het feit dat in de zaak met parketnummer 09-852061-18 is bewezenverklaard. Voordat ik deze middelen bespreek, geef ik de bewezenverklaring, de bewijsmiddelen en ’s hofs bewijsoverweging weer.
1. Een proces-verbaal van aangifted.d. 23 mei 2016 van de politie Eenheid Den Haag (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…):
als de op 10 mei 2016 afgelegde verklaring van [benadeelde] :
[benadeelde]:
tweedemiddel bevat de klacht dat het afkomstig zijn uit eigen misdrijf (verduistering) niet of onvoldoende uit de bewijsmiddelen kan volgen, althans dat de bewezenverklaring op dit punt ontoereikend is gemotiveerd en/of de bewijsconstructie innerlijk tegenstrijdig is.
derdemiddel behelst de klacht dat het overdragen en/of omzetten van de sieraden niet of onvoldoende uit de bewijsmiddelen kan volgen, althans dat de bewezenverklaring op dit punt ontoereikend gemotiveerd is, althans dat de kwalificatiebeslissing van dit feit niet juist is. Dat de sieraden zijn omgezet zou ‘hooguit enkel’ kunnen gelden voor de peervormige diamant die volgens de voor het bewijs gebezigde verklaring van [benadeelde] is vervangen door een zirkonia en voor de oorstekers die klaarblijkelijk zijn aangeboden en geveild bij Venduhuis [D] . Voor de overige sieraden zou niet uit de bewijsmiddelen kunnen volgen dat deze door de verdachte zijn omgezet of overgedragen.
Het vierde en vijfde namens de verdachte voorgestelde middel
vierdemiddel betreft de oplegging van één van beide schadevergoedingsmaatregelen. De steller van het middel refereert aan de randnummers 77 t/m 81 van de pleitnotities, waarin ‘gemotiveerd (is) aangegeven dat en waarom in casu geen schadevergoedingsmaatregel kon worden opgelegd’, en voorts aan ‘hetgeen in deze schriftuur is aangevoerd ten behoeve van het tweede en derde middel’ en geeft aan dat de verdachte zich ‘op het standpunt (stelt) dat de naar billijkheid geschatte schade onjuist, althans onvoldoende is onderbouwd’.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde]
vijfdemiddel behelst een klacht over schending van de redelijke termijn, in het bijzonder de inzendingstermijn in cassatie.
De namens de [benadeelde] voorgestelde middelen
eerstenamens de [benadeelde] voorgestelde middel houdt in dat het hof ontoereikend heeft gemotiveerd waarom de benadeelde partij niet in haar vordering kan worden ontvangen. De voeging van [slachtoffer] zou niet worden erkend ‘ondanks de niet mis te verstane wens en de door haar genomen acties bij leven om haar schade te verhalen op de dader.’ Het zou niet zijn in te zien waarom ‘dochter [benadeelde] niet treedt in alle rechten en plichten van haar moeder na overlijden.’
Vordering van de [benadeelde]
tweedenamens de [benadeelde] ingediende middel houdt in dat de beslissing tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor een bedrag van € 153.394,36 in de zaak met parketnummer 09-852061-18 ontoereikend is gemotiveerd.