Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2022:714

Hoge Raad

Datum uitspraak
24 mei 2022
Publicatiedatum
18 mei 2022
Zaaknummer
21/00569
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 311.1 SrArt. 36f SrArt. 60a SrArt. 57 SrArt. 58 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bepaalt maximale duur gijzeling bij schadevergoedingsmaatregelen bij medeplegen diefstal

De Hoge Raad behandelde een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam in een strafzaak over medeplegen diefstal met braak. De verdachte werd door het hof veroordeeld tot schadevergoedingsmaatregelen waarbij gijzeling werd opgelegd voor in totaal 365 dagen bij gebreke van betaling.

De Hoge Raad oordeelde dat de duur van gijzeling bij schadevergoedingsmaatregelen wettelijk beperkt is tot maximaal één jaar, waarbij één jaar gelijkstaat aan 360 dagen. Dit volgt uit een redelijke uitleg van artikel 60a Sr in samenhang met artikel 36f Sr en de samenloopregels in artikel 57 en Pro 58 Sr. De door het hof vastgestelde duur van 365 dagen overschrijdt dit maximum en is daarom niet toelaatbaar.

De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof uitsluitend voor dit onderdeel en bepaalde dat de gijzeling voor de twee benadeelden kan worden vastgesteld op respectievelijk 300 en 60 dagen, samen 360 dagen. De overige klachten van de benadeelde partij werden verworpen zonder nadere motivering.

Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren op 24 mei 2022. Hiermee is duidelijkheid geschapen over de maximale duur van gijzeling bij schadevergoedingsmaatregelen in geval van samenloop van strafbare feiten.

Uitkomst: De Hoge Raad stelt dat de maximale duur van gijzeling bij schadevergoedingsmaatregelen 360 dagen bedraagt en vernietigt het hofarrest voor het overschrijden van deze termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer21/00569
Datum24 mei 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 1 februari 2021, nummer 23-000785-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Namens de benadeelde partij [benadeelde 1] heeft A. Boumanjal, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De raadsvrouw van de verdachte heeft een verweerschrift ingediend.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover in het kader van de oplegging van de schadevergoedingsmaatregelen de gijzeling is bepaald op in totaal 365 dagen, tot bepaling dat de gijzeling (in totaal) 360 dagen bedraagt, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het namens de verdachte voorgestelde cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat met betrekking tot de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen de duur van de gijzeling is bepaald op in totaal 365 dagen.
2.2
Het hof heeft de verdachte voor een feit dat is begaan op 7 juli 2018 de verplichting opgelegd, kort gezegd, om aan de Staat ten behoeve van de in het arrest genoemde slachtoffers [benadeelde 1] en [benadeelde 2] de in het arrest vermelde bedragen te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door respectievelijk 304 en 61 dagen gijzeling.
2.3
Op grond van artikel 36f lid 5 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) bepaalt de rechter bij de oplegging van de maatregel de duur volgens welke met toepassing van artikel 6:4:20 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) gijzeling kan worden toegepast. De duur van de gijzeling beloopt ten hoogste één jaar, waarbij in deze zaak geldt dat onder één jaar 360 dagen moet worden verstaan (vgl. HR 19 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:498). Redelijke wetsuitleg van artikel 60a Sr brengt daarbij met zich dat in geval van samenloop zoals bedoeld in artikel 57 en Pro 58 Sr, de totale duur van de gijzeling voor de schadevergoedingsmaatregelen het in artikel 24c lid 3 Sr bepaalde maximum van één jaar niet mag overschrijden.
2.4
Het cassatiemiddel slaagt. De Hoge Raad zal de uitspraak van het hof vernietigen en rekening houdend met de wettelijk bepaalde maximumduur van in totaal één jaar, bepalen dat met toepassing van artikel 6:4:20 Sv Pro gijzeling van de na te melden duur kan worden toegepast.

3.Beoordeling van het namens de benadeelde partij voorgestelde cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de gijzeling die is verbonden aan de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen;
- bepaalt dat met toepassing van artikel 6:4:20 Sv Pro ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 1] gijzeling van 300 dagen kan worden toegepast en ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 2] gijzeling van 60 dagen kan worden toegepast;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
24 mei 2022.