Conclusie
Feiten 1 en 2
hof: dat zij) bij het uitstappen zichtbaar pijn had.
Feit 1
Energieoverdracht door een schop met een schoen is niet zondermeer te vergelijken met een aanrijding door een voertuig. Bij schoppen is de ‘puntkracht ’ oftewel de energieoverdracht op een gering oppervlak van invloed, bij een botsing met een voertuig, is doorgaans sprake van een energie-overdracht via een groter oppervlak. Daarnaast is bij de energie-overdracht de snelheid en de versnelling van belang. Bij een schoppende beweging met een been kan, behalve een mogelijk hierbij optredende versnelling, een hogere snelheid worden bereikt dan bij lopen of rennen.”Ook professor Leenen wijst erop dat de geweldsinwerking ook afhankelijk is van het oppervlak van de geweldsinwerking: als je tegen een platte plaat loopt dan wordt het geweld over een groot gedeelte van de borstkas verdeeld. Als je een puntkracht hebt komt alle kracht op dat ene punt terecht.
NJ2019/103, m.nt. Wolswijk is de Hoge Raad nader ingegaan op het begrip ‘aanmerkelijke kans’. Onder de ‘naar algemene ervaringsregels aanmerkelijke kans’ is – blijkens rov. 5.3.2 van dit arrest – te verstaan “de in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid”, [7] waarmee “geen wezenlijke andere of grotere mate van waarschijnlijkheid tot uitdrukking [is] gebracht dan met de in oudere rechtspraak, zoals in HR 9 november 1954, NJ 1955/55, gebruikte formulering "de geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen kans".” De Hoge Raad heeft in dezelfde rechtsoverweging benadrukt dat hij “geen algemene regels [kan] geven over de exacte grootte van de kans die in het algemeen of voor een bepaald type delict minimaal vereist zou zijn, laat staan deze kans in een percentage uitdrukken”.
de verdachte wetenschap hadvan de aanmerkelijke kans dat de aangeefster als gevolg van zijn trap zou overlijden. Voorts neem ik in aanmerking dat het hof, bij zijn oordeel dat
de verdachte deze kans heeft aanvaard, klaarblijkelijk – en conform het door de Hoge Raad geformuleerde toetsingskader – heeft betrokken de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Ik herhaal dat uit de vaststellingen van het hof hierover blijkt dat de verdachte met geschoeide voet, en met grote kracht, een trap op de borst van de aangeefster heeft uitgedeeld toen zij – als gevolg van eerdere mishandelingen door de verdachte – op de grond was gevallen en, in de hoek waarin zij lag, de uitgedeelde trap nauwelijks kon opvangen. Tegen deze achtergrond kan ook het oordeel van het hof dat de verdachte met zijn gedraging de aanmerkelijke kans op het overlijden van de aangeefster
willens en wetens heeft aanvaard, de cassatietoets doorstaan. [9] Dat brengt mee dat ook de tweede deelklacht van het middel – voor zover het aangevoerde al als zodanig valt aan te merken – tevergeefs is voorgesteld.
tweede middelklaagt in het bijzonder dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, van een schakelbewijsconstructie gebruik heeft gemaakt. Het
derde middelklaagt dat het hof niet had kunnen bewezen verklaren dat de verdachte de aangeefster in de bewezenverklaarde periode in Egypte heeft mishandeld. Het
vierde middelklaagt dat het hof ten onrechte heeft bewezenverklaard dat de verdachte de aangeefster op 1 oktober 2016 [10] heeft mishandeld.
Feit 3