Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerstemiddel bevat de klacht dat het onder 1 primair sub C bewezenverklaarde, voor zover inhoudende dat de verdachte heeft gehandeld ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers, niet uit ‘s hofs bewijsvoering kan worden afgeleid, althans dat het hof de bewezenverklaring – mede in het licht van hetgeen door de verdediging is aangevoerd - ontoereikend heeft gemotiveerd.
[betrokkene 1], financieel controller, op de terechtzitting van de rechtbank Noord-Nederland op 15 november 2016 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
schriftelijk bescheid, een deskundigenbericht van drs. J. Brouwer, registeraccountant bij Hermes Advisory, gedateerd 14 juli 2016, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
als schriftelijke bescheiden:
als verklaring van [betrokkene 4]:
als verklaring van [betrokkene 5]:
op dat momentte wensen overliet. Echter, cliënte blijft van mening dat het niet op orde zijn van de administratie een vervelende samenloop van omstandigheden betreft, mede doordat de eerste boekhouder niet deed wat hij moest doen en de opvolgend boekhouder nog niet was gekomen tot een afronding van de opdracht.
NJ2014/80. De verdachte was veroordeeld wegens – kort gezegd - het medeplegen van als bestuurder van een rechtspersoon welke nadien in staat van faillissement was verklaard ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers niet voldaan hebben aan de op hem en zijn mededader rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie. Het hof had onder meer overwogen dat de verdachte 'op de hoogte (was) van de financiële problemen en de tekortkomingen in de administratie' van de rechtspersoon. En dat hij 'als kandidaat-notaris voldoende (juridisch) geschoold (was) om te weten of behoren te weten dat door het niet of onvoldoende voeren van de administratie er een aanmerkelijke kans bestond dat bij een faillissement er onvoldoende inzage bestond in de rechten en plichten' van deze rechtspersoon, ‘waardoor de rechten van de schuldeisers konden worden verkort’. Uw Raad was van oordeel dat de bewezenverklaring ontoereikend was gemotiveerd. Uw Raad nam daarbij in aanmerking ‘dat het niet of onvoldoende voeren van een administratie niet zonder meer de aanmerkelijke kans op verkorting van de rechten van schuldeisers doet ontstaan’. En Uw Raad wees er voorts op dat ‘s hofs overwegingen de mogelijkheid openlieten ‘dat de verdachte — indien van een dergelijke aanmerkelijke kans sprake zou zijn geweest — zich van die aanmerkelijk kans niet bewust is geweest’. [5]
NJ2017/150 in stand. Uw Raad overwoog dat het hof ‘uit de bewijsvoering – die onder meer inhoudt dat de verdachte in de bewezenverklaarde periode wist dat sprake was van een ondeugdelijke administratie binnen de rechtspersoon waarvan hij bestuurder/penningmeester was en dat een faillissement van die rechtspersoon dreigde, maar dat hij desondanks geen maatregelen heeft genomen om de administratie op orde te krijgen – (had) kunnen afleiden dat de verdachte als bestuurder “ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon” heeft gehandeld’.
NJ2017/376 m.nt. Keulen was bewezenverklaard dat de verdachte in de periode van 13 januari 2011 tot en met 24 juni 2012, terwijl hij bij vonnis van 6 december 2011 in staat van faillissement was verklaard, (kort gezegd) niet had voldaan aan op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren, bewaren en tevoorschijn brengen van een administratie. Het hof had uit het verslag van de curator afgeleid dat deze slechts over ‘spaarzame fragmenten van de administratie’ beschikte en dat deze aldus ‘geen (adequaat) beeld (had) kunnen krijgen van de bezittingen van de boedel’. Het hof achtte het ‘evident dat dit kan leiden tot benadeling van de schuldeisers’. Dat de verdachte ‘op zijn minst voorwaardelijk’ opzet had gehad op de verkorting van de rechten van zijn schuldeisers leidde het hof (onder meer) af uit ‘de op 13 september 2011 gepleegde overdracht van de beide ondernemingen van de verdachte, welke transactie door de curator (…) als paulianeus is vernietigd’. Uw Raad oordeelde ook in deze zaak dat de bewezenverklaring ontoereikend was gemotiveerd, in aanmerking genomen ‘dat het niet of onvoldoende voeren van een administratie niet zonder meer de aanmerkelijke kans op verkorting van de rechten van schuldeisers doet ontstaan en de bewijsvoering voorts de mogelijkheid openlaat dat de verdachte — indien van een dergelijke aanmerkelijke kans sprake zou zijn geweest — zich van die aanmerkelijk kans niet bewust is geweest’.
tweedemiddel bevat eveneens een klacht over de bewijsvoering van het onder 1 primair sub C bewezenverklaarde. De bewezenverklaring zou ontoereikend zijn gemotiveerd nu [A] B.V. op 6 augustus 2013 in staat van faillissement is verklaard en de verdachte slechts tot 5 maart 2013 middellijk bestuurder is geweest van deze B.V., en het hof niet heeft vastgesteld dat ook in de periode vóór 5 maart 2013 het niet deugdelijk bijhouden van de administratie is geschied ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers.
derdemiddel bevat de klacht dat het onder 5 impliciet subsidiair tenlastegelegde schuldwitwassen op het moment van het wijzen van het arrest verjaard was. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de verjaringstermijn is aangevangen op 19 augustus 2006, terwijl op schuldwitwassen minder dan drie jaar gevangenisstraf is gesteld en ten tijde van het arrest al meer dan twaalf jaren waren verstreken sinds de aanvang van de genoemde verjaringstermijn.
vierdemiddel betreft eveneens het onder 5 bewezenverklaarde. Het behelst een bewijsklacht. Nu het derde middel naar het mij voorkomt slaagt, zie ik van een bespreking van het vierde middel af. Indien Uw Raad van oordeel zou zijn dat het derde middel faalt, ben ik graag bereid aanvullend te concluderen.
vijfdemiddel bevat de klacht dat het onder 6 bewezenverklaarde, voor zover inhoudende dat de verdachte opzettelijk 336 hennepstekken en 1014 hennepplanten aanwezig heeft gehad, niet uit ’s hofs bewijsvoering kan worden afgeleid, althans dat de bewezenverklaring – mede in het licht van hetgeen door de verdediging is aangevoerd – ontoereikend is gemotiveerd.
. Een proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot het aantreffen van een hennepkwekerijd.d. 4 juli 2013, (…), opgemaakt door [verbalisant 3] en [verbalisant 4], respectievelijk brigadier en hoofdagent van politie, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Als schriftelijk bescheid, een situatieschets aantreffen hennepkwekerij, (…), inhoudende een schematisch overzicht van de aangetroffen kelderruimtes, waarbij elke ruimte is aangeduid met een letter (A t/m J).
als verklaring van medeverdachte [medeverdachte], zakelijk weergegeven:
verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:
een proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot het aantreffen van een hennepkwekerij, opgemaakt door [verbalisant 3] en [verbalisant 4], respectievelijk brigadier en hoofdagent van politie, gesloten op 4 juli 2013, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (…):
een proces-verbaal van verhoor van verdachte, opgemaakt door [verbalisant 5] en [verbalisant 6], respectievelijk brigadier en aspirant van politie, gesloten op 3 juli 2013, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (…):
een proces-verbaal van verhoor van verdachte, opgemaakt door [verbalisant 7] en [verbalisant 2], respectievelijk hoofdagent en brigadier van 9 juli 2013, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (…):
'Uit het voorgaande volgt dat niet vastgesteld kan worden dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de in de tenlastelegging genoemde drugs. Het feit dat verdachte in de woning verbleef en gebruik maakte van de Renault Clio is, gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden, daartoe onvoldoende.' In deze casus lag er wiet in de woning en in de auto van de vrouw. De rechtbank komt met deze overweging tot een vrijspraak.
De term "aanwezig hebben" in de zin van de Opiumwet vergt niet dat sprake is van enige beschikkings- of beheersbevoegdheid ten aanzien van de verdovende middelen. Voldoende daarvoor is dat de onder de Opiumwet vallende middelen zich in de machtssfeer van de verdachte bevinden. Om te kunnen aannemen dat verdovende middelen zich in de machtssfeer van de verdachte hebben bevonden, dient uit feiten en omstandigheden - al dan niet in hun onderlinge samenhang beschouwd - te kunnen worden afgeleid dat de verdachte een zodanige macht kon uitoefenen over de verdovende middelen dat de verdachte geacht kan worden die verdovende middelen aanwezig te hebben gehad. Voor een bewezenverklaring van het opzettelijk aanwezig hebben van verdovende middelen is - vanwege het vereiste van (voorwaardelijk) opzet - voorts vereist dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de verdovende middelen, althans van de aanmerkelijke kans daarop(zie conclusie ECLI:NL:PHR:2018:1308 bij HR 22-1-2019, ECLI:NL:HR:2019:10).
zesdemiddel bevat de klacht dat in de cassatiefase het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn, in het bijzonder de inzendingstermijn, geschonden is.