Conclusie
Inleiding
Het eerste middel en de bespreking daarvan
Als schriftelijk bescheid, een aangifte van P.J.G.G. Sluijter, curator in de faillissementen van [A] B.V., Stichting administratiekantoor [B] en [verdachte] , gedateerd 4 april 2016, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (blz. 17 e.v.):
Als schriftelijk bescheid, een vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 9 februari 2016, waarin [A] B.V., Stichting Administratiekantoor [B] en [verdachte] in staat van faillissement worden gesteld en mr. P.J.G.G. Sluyter als curator wordt aangesteld. (blz. 22 e.v.)
Als schriftelijk bescheid, een faillissementsverslag betreffende [A] B.V., Stichting Administratiekantoor [B] en [verdachte] , gedateerd 25 februari 2016, opgemaakt door mr. P.J.G.G. Sluyter, curator, voor zover inhoudende (blz. 24 e.v.):
Als schriftelijk bescheid, een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel betreffende [A] B.V., gedateerd 17 april 2015, voor zover inhoudende: (blz. 120 e.v.)
Als schriftelijk bescheid, een formulier ‘Wijzigen gegevens Handelsregister’ van de Kamer van Koophandel, gedateerd 18 augustus 2015, voor zover inhoudende: (blz. 347)
Een proces-verbaal van verhoor van getuige [betrokkene 2], opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , beiden brigadier van politie, gesloten op 13 mei 2016, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: (blz. 482 e.v.)
Stb. 2016/154). Gedragingen die vóór de inwerkingtreding op 1 juli 2016 zijn verricht vallen nog onder de oude wetgeving. Nu de tenlastegelegde feiten zich volgens de tenlastelegging in de periode van 9 september 2014 tot 4 april 2016 hebben afgespeeld, is in de voorliggende zaak de oude wetgeving nog van toepassing. De tenlastelegging is toegesneden op art. 343, aanhef en onder 4º, (oud) Sr, dat toentertijd luidde:
door het niet voeren van een administratiede aanmerkelijke kans heeft doen ontstaan dat de rechten van de schuldeisers werden verkort en dat hij
diekans bewust heeft aanvaard. [5] Dat leid ik niet zonder meer af uit de bewijsvoering. Het feit dat de verdachte bestuurder was en dus een verantwoordelijkheid droeg voor het voeren van een gedegen administratie, zoals het hof in het bestreden arrest benadrukt, maakt dat niet anders, omdat een dergelijke verantwoordelijkheid nog geen opzet in de hier bedoelde zin meebrengt. [6]
Het tweede middel en de bespreking daarvan
Een proces-verbaal van aangifte van [betrokkene 4] namens [F] B.V., opgemaakt door [verbalisant 3] , buitengewoon opsporingsambtenaar (BOA), gesloten op 12 mei 2015, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: (blz. 111 e.v.)
Als schriftelijk bescheid, een operational lease overeenkomst tussen [F] B.V. en [A] B.V. betreffende een BMW X5 xDrive 4.0D, waaruit onder meer blijkt (blz. 123 e.v.):
Als schriftelijk bescheid, een operational lease overeenkomst tussen [F] B.V. en [A] B.V. betreffende een BMW X6 M5.0d, waaruit onder meer blijkt (blz. 128 e.v.):
enkele omstandigheiddat de verdachte een auto huurt of zakelijk gebruik maakt van een bedrijfsauto en deze niet op tijd terugbrengt, laat zich evenwel nog niet een wederrechtelijke toe-eigening afleiden. [10] Dat is ook terug te zien in twee zaken waarin de bewezenverklaring van verduistering van een leaseauto centraal stond. In de zaak die leidde tot het arrest van 30 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1771 had de verdachte op naam van het bedrijf waar hij op dat moment werkzaam was een leasecontract gesloten voor een personenauto. Na afloop van deze short-leaseovereenkomst had de verdachte de auto niet teruggebracht. De sleutel van de auto lag in huis bij een collega van de verdachte en de auto is uiteindelijk inbeslaggenomen bij een andere betrokkene. De Hoge Raad oordeelde dat aan de omstandigheid dat de verdachte niet ervoor heeft gezorgd dat de auto na afloop van de leaseovereenkomst werd teruggeven, niet zonder meer de conclusie kan worden verbonden dat de verdachte na afloop van de overeenkomst over de auto ‘als heer en meester is gaan beschikken’, terwijl de bewijsmiddelen geen andere feiten of omstandigheden inhouden waaruit dat zou kunnen worden afgeleid. Het oordeel dat sprake is van wederrechtelijke toe-eigening van de auto was derhalve niet toereikend gemotiveerd.
NJ2007/84. De feiten waren als volgt. De verdachte en medeverdachten hadden op naam van een BV twee auto’s geleaset, een Opel Vectra en een Audi A3. De opzet van deze BV bleek te zijn het oplichten van andere bedrijven door goederen op rekening te bestellen en deze vervolgens nooit te betalen. Al snel na het sluiten van de leasecontracten werden de leasetermijnen niet betaald en werd op aanmaningen niet gereageerd. Uiteindelijk bleek de Opel Vectra door de BV te zijn geleverd aan een derde groepering. De verdachte werd veroordeeld voor verduistering van beide auto’s. In cassatie werd geklaagd over de bewezenverklaring van beide feiten. Ten aanzien van de Audi A3 stelde de Hoge Raad voorop dat, hoewel al spoedig na het afsluiten van het leasecontract betalingen uitbleven en op aanmaningen niet werd gereageerd, uit de gebezigde bewijsmiddelen niet zonder meer kon volgen dat de BV de auto zich had toegeëigend. Daarmee was de bewezenverklaring van verduistering van deze auto niet naar de eis der met redenen omkleed. De cassatieklacht tegen de bewezenverklaring van verduistering van de Opel Vectra verwierp de Hoge Raad op grond van de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering. Het wezenlijke verschil tussen deze twee feiten was – aldus mijn voormalig ambtgenoot Vellinga in zijn conclusie [11] in deze zaak – dat, in tegenstelling tot de Opel Vectra, niet uit de bewijsmiddelen bleek wat er met de Audi A3 was gebeurd. Hoewel dat laatste zich wellicht liet raden, gezien het feit dat betalingen uitbleven, op aanmaningen niet werd gereageerd en de BV tot doel had andere bedrijven op te lichten, was daarmee het bewijs van het voor een bewezenverklaring vereiste toe-eigenen volgens Vellinga nog niet gegeven.
NJ2016/424, waarin de verdachte niet (tijdig) een voor bepaalde tijd gehuurde (bestel)auto had teruggebracht. De Hoge Raad verenigde zich met het oordeel van het hof dat de verdachte zich die auto wederrechtelijk had toegeëigend, nu door het hof niet alleen was vastgesteld dat de verdachte de gehuurde auto na afloop van de huurperiode was blijven gebruiken, maar ook dat door aan de zijde van de verdachte gelegen omstandigheden de betaling van de factuur (automatisch incasso) was gestorneerd, dat de verhuurder herhaaldelijk had geprobeerd met de verdachte in contact te komen en dat de verdachte niet traceerbaar was, ook niet aan de hand van het door hem opgegeven adres. Ik wijs voorts op het arrest HR 3 december 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE9168,
NJ2003/622, dat tevens zag op een bewezenverklaring van verduistering van een huurauto. De Hoge Raad liet het oordeel van het hof dat de verdachte zich deze huurauto wederrechtelijk had toegeëigend in stand. Daarbij nam de Hoge Raad in aanmerking dat:
Het derde middel en de bespreking daarvan
Slotsom