Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
hoogstwaarschijnlijkte verklaren is door een niet tijdige behandeling van het verzoek door de rechtbank, de zaak niet heeft beslist op de grondslag van hetgeen partijen ten gronde hebben gelegd aan hun verzoek en verweer en uit de wet ook niet anders voortvloeit. Dit oordeel is daarmee ook, of althans onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd.
Juridisch kader
tenzijvoor het einde van de termijn een verzoek was gedaan tot het verlenen van een aansluitende rechterlijke machtiging in welk geval ontslag werd verleend 1) zodra op het verzoek was beschikt en de beschikking niet strekte tot voortgezet verblijf, 2) dan wel de termijn voor het geven van de beschikking was verstreken. [12] Dit was in de kern de basis voor de zogeheten ‘nawerkingsperiode’ onder de Wet Bopz (oud) en die zag er als volgt uit. Indien de vordering (later: het verzoek) door de officier van justitie onder de Wet Bopz (oud) tijdig werd ingediend, namelijk
vóór expiratie van de lopende machtiging,dan werd de vrijheidsbeneming in het psychiatrisch ziekenhuis op de grondslag van de voorafgaande machtiging voortgezet zolang dit voor het onderzoek door de rechter ter zake van de aansluitende machtiging noodzakelijk was en totdat de rechter definitief had beslist op het verzoek om een daarop aansluitende machtiging tot voortgezet verblijf. De rechter kon in dat geval bij het bepalen van de geldigheidsduur van de daaropvolgende machtiging rekening houden met het aantal dagen waarmee de wettelijke beslistermijn was overschreden, maar was daartoe niet verplicht. [13]
na expiratie van de lopende machtiging, stond dat er niet aan in de weg dat die vordering ontvankelijk was. Een machtiging tot voortgezet verblijf kon worden gevorderd ook als de voorafgaande voorlopige machtiging of de voorafgaande machtiging tot voortgezet verblijf inmiddels was verlopen. Een machtiging tot voortgezet verblijf hoefde met andere woorden niet direct aan te sluiten op een eerdere machtiging. Tussen de twee machtigingen mocht een periode liggen gedurende welke de betrokkene geacht werd vrijwillig in het ziekenhuis te verblijven. [14] Het door de wettelijke termijnen beschermde belang stond er wel aan in de weg dat de machtiging werd verleend voor een langere periode dan ten hoogste een jaar na de dag waarop de lopende machtiging eindigde. De verstreken tijd na de expiratie van de lopende machtiging moest dus in mindering worden gebracht op de te bepalen geldigheidsduur van de aansluitende machtiging. Een vrijwillige voortzetting kon
nietworden gevolgd door een machtiging tot voortzetting in het geval waarin aan de betrokkene ontslag uit het ziekenhuis was verleend, of waarin een voorwaardelijk verleend ontslag door het verstrijken van de geldigheidsduur van de lopende machtiging niet meer kon worden ingetrokken. In een dergelijk geval verbleef de betrokkene immers niet meer in het psychiatrisch ziekenhuis, zodat een machtiging tot
voortgezetverblijf ingevolge art. 15 Wet Pro Bopz niet meer kon worden verleend. Wel kon de officier van justitie dan ingevolge art. 2 Wet Pro Bopz (weer) een voorlopige machtiging verzoeken. [15]
zo spoedig mogelijkbesliste op een verzoek tot het verlenen van een voorlopige machtiging. Indien het verzoek betrekking had op een persoon die reeds in een psychiatrisch ziekenhuis verbleef, besliste de rechter in elk geval binnen drie weken na indiening van het verzoekschrift. Deze bepaling was van overeenkomstige toepassing op een verzoek tot het verlenen van een voorwaardelijke machtiging (art. 14a lid 4 Wet Bopz). Voor een verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf, gold een beslistermijn van vier weken na het indienen van het verzoekschrift (art. 17 lid 2 Wet Pro Bopz). [18]
niet alleen kon nemen gedurende de geldigheidsduur van de voorwaardelijke machtiging, maar ook nog daarna gedurende een termijn van vier weken na afloop van deze geldigheidsduur, mits vóór het verstrijken van de voorwaardelijke machtiging een verzoek was ingediend tot het verlenen van een aansluitende rechterlijke machtiging. [19]
voorwaardelijke machtigingin art. 14a e.v. Wet Bopz (oud) opgenomen; deze maatregel impliceerde de mogelijkheid van dwangopneming als de cliënt zich niet hield aan de door de rechter opgelegde voorwaarden om gedwongen opname te voorkomen. [21] In feite ging het hier om ambulante zorgverlening, die kon resulteren in gedwongen opname als niet aan de door de rechter gestelde voorwaarden werd voldaan (bijv. medicatiegebruik). Deze voorwaardelijke machtiging was door de wetgever geïntroduceerd als alternatief voor een onvrijwillige opname in een psychiatrisch ziekenhuis. [22] Zodra dit alternatief niet langer bruikbaar was om het gevreesde gevaar af te wenden of indien de betrokkene de door de rechter gestelde voorwaarden niet naleefde, werd of kon de betrokken patiënt alsnog onvrijwillig in een psychiatrisch ziekenhuis worden opgenomen. Vanaf dat moment kreeg de voorwaardelijk verleende rechterlijke machtiging een onvoorwaardelijk karakter. Indien, bijvoorbeeld, de patiënt na het ingaan van de voorwaardelijke machtiging alsnog onvrijwillig werd opgenomen op de voet van art. 14d, gold de voorwaardelijke machtiging vanaf dat moment als een (onvoorwaardelijk verleende) voorlopige machtiging in de zin van art. 2 Wet Pro Bopz (oud). Er werd gesproken van een ‘conversie’ van de machtiging; de voorlopige machtiging kwam door deze conversie van rechtswege tot stand. [23] Na het verstrijken van de resterende looptijd van de voorlopige machtiging kon zo nodig een machtiging tot voortgezet verblijf volgen. [24]
om het gedwongen verblijf te doen voortduren, want anders kon er geen sprake zijn van ‘nawerking’. De geneesheer-directeur diende in de door art. 48 Wet Pro Bopz (oud) aangeduide gevallen ontslag te verlenen (en kon eventueel een beroep doen op nawerking van de vorige machtiging bij een tijdige indiening) aan patiënten die met toepassing van hoofdstuk II waren opgenomen, dat wil zeggen degenen die
gedwongen in het psychiatrisch ziekenhuis verbleven krachtens een inbewaringstelling of rechterlijke machtiging. [25] Werd door de rechtbank een voorwaardelijke maatregel opgelegd van een gedwongen opgenomen patiënt, dan diende de geneesheer-directeur de patiënt te ontslaan.
maar die machtiging strekte niet tot voortzetting van een (onvrijwillig) verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis. Art. 48 lid Pro 1, aanhef en onder b, Wet Bopz brengt dan mee dat de geldigheidsduur van de voorafgaande machtiging tot voortgezet verblijf op 2 april 2016 was verstreken (vgl. HR 11 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2314, NJ 2011/404). Dit betekent dat de geneesheer-directeur het hiervoor in 3.1 onder (ii) vermelde ontslag niet meer kon intrekken, en dat de geneesheer-directeur betrokkene toen niet meer op de voet van de voorgaande machtiging tot voortgezet verblijf onvrijwillig kon doen opnemen in het psychiatrisch ziekenhuis.” [cursivering en onderstreping A-G] [27]
“Indien de officier van justitie voordat de geldigheidsduur, bedoeld in artikel 6:5, onderdeel a, is verstreken, dan wel uiterlijk vier weken voordat de geldigheidsduur, bedoeld in artikel 6:5, onderdelen b en c, is verstreken, een nieuw verzoek voor een zorgmachtiging heeft ingediend,
vervalt de eerdere zorgmachtiging in afwijking van het eerste lid, onderdeel a, als de rechter op het verzoekschrift heeft beslistof door het verstrijken van de termijn, bedoeld in artikel 6:2, eerste lid, onderdeel e. onderscheidenlijk, zodra de rechter onder toepassing van artikel 6:2, vierde lid, op het verzoekschrift heeft beslist.”
4klagen in wezen dat het oordeel van de rechtbank niet op basis van de actuele gezondheidstoestand is, omdat de medische verklaring dateert van 21 oktober 2021 en op de dag van de bestreden beslissing ruim vier weken oud is, en de rechtbank ter zitting niet de psychiater heeft gehoord, maar GZ psychologen die niet in een actualisering van de medische verklaring voorzien. [38] De GZ psychologen hebben blijkens de bestreden beslissing en het proces verbaal, niets verklaard over de psychische stoornis van betrokkene. Hun relaas betrof vooral het niet innemen van het (medicatie) depot (proces-verbaal, p. 1 en 2), aldus het middel.