Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
klacht onder abenadrukt het feit dat de geldigheidsduur van de op 27 januari 2016 verleende machtiging liep tot en met 14 januari 2017. Omdat de officier van justitie vóór deze datum een vervolgmachtiging had verzocht, had deze machtiging ‘nawerking’ op grond van het bepaalde in art. 48 lid 1 Wet Pro Bopz. Echter, omdat betrokkene – als gevolg van het haar verleende voorwaardelijke ontslag uit het ziekenhuis – feitelijk niet meer in een psychiatrisch ziekenhuis verbleef en de officier een voorwaardelijke machtiging had verzocht, verviel volgens betrokkene deze ‘nawerking’ en daarmee de grondslag voor het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf. Volgens de klacht is onjuist dat, althans onbegrijpelijk waarom, de rechtbank tot haar oordeel is gekomen dat tóch een machtiging tot voortgezet verblijf kan worden verleend. De toelichting op deze klacht houdt in dat de rechtbank in de gegeven omstandigheden beter de (tevens verzochte) voorwaardelijke machtiging had kunnen toewijzen: als betrokkene, onverhoopt, zich niet aan de gestelde voorwaarden zou houden, zou de geneesheer-directeur opnieuw tot opneming in het ziekenhuis kunnen besluiten op de voet van art. 14d Wet Bopz.
ende verzochte vervolgmachtiging slechts een voorwaardelijke machtiging betreft, is er geen grond voor ‘nawerking’ van de verstreken verblijfsmachtiging.
tevenseen voorwaardelijke machtiging heeft verzocht, brengt hierin geen verandering. De officier van justitie heeft het eerstgenoemde, op 4 januari 2017 ingediende, verzoek immers gehandhaafd. Het openbaar ministerie heeft naar aanleiding van de beslissing van de geneesheer-directeur van 24 januari 2017 de rechtbank blijkbaar twee alternatieve mogelijkheden willen voorleggen: hetzij het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf, hetzij het verlenen van een voorwaardelijke machtiging. Die handelwijze is weliswaar niet gebruikelijk, maar wordt door de wet niet uitgesloten; vgl. art. 8a Wet Bopz. In elk geval heeft de rechtbank niet aangenomen dat het tweede verzoek van de officier van justitie het eerste verzoek van de officier van justitie opzij heeft gezet.
voorwaardelijkemachtiging, maar om de gewone ‘nawerking’ van een voorlopige machtiging, zoals geregeld in art. 48, lid 1, Wet Bopz. Een voorwaardelijk ontslag, door de geneesheer-directeur gegeven in de ‘nawerkingsperiode’, is van betekenis in zoverre, dat het twijfel kan doen rijzen aan de intentie waarmee het verzoek om een machtiging tot voortgezet verblijf is ingediend: is bij dit verzoek sprake van een verhulde ‘paraplu-machtiging’?
pro formamachtiging), maar dat wel degelijk een voortgezet verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis werd beoogd. De omstandigheid dat ten tijde van de zitting de schriftelijke kennisgeving aan betrokkene van het besluit tot intrekking nog niet had plaatsgevonden, brengt hierin geen verandering.
onderdeel I onder bstelt dat in eerste aanleg namens betrokkene uitdrukkelijk was aangevoerd dat de geneesheer-directeur op 30 januari 2017 het voorwaardelijk ontslag niet meer kon intrekken. Volgens de klacht had de rechtbank moeten beoordelen of die stelling juist was, nu de voorgaande machtiging al was verlopen.
fair trial-beginsel en brengt ook de eerste volzin van art. 19 Rv Pro mee dat de wederpartij door de rechter in de gelegenheid wordt gesteld van dit stuk kennis te nemen en zich hierover uit te laten. Noch uit de bestreden beschikking, noch uit de overgelegde gedingstukken blijkt dat de rechtbank vóór het uitspreken van de bestreden beschikking betrokkene, althans haar advocaat, in de gelegenheid heeft gesteld kennis te nemen van het door de rechtbank ambtshalve opgevraagde afschrift van de melding/intrekkingsbeslissing van de geneesheer-directeur d.d. 30 januari 2017 (in cassatie overgelegd als bijlage 14).