De zaak betreft de beoordeling van een besluit van de geneesheer-directeur tot onvrijwillige opname van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis op grond van artikel 14d Wet Bopz, na afloop van een voorwaardelijke machtiging. De rechtbank had geoordeeld dat de conversie van de voorwaardelijke machtiging in een voorlopige machtiging rechtsgeldig was, ondanks dat het besluit tot opname na het verstrijken van de termijn was genomen.
De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld over een besluit tot intrekking van het voorwaardelijk ontslag, terwijl het ging om een besluit tot opname op grond van artikel 14d. Verder stelt de Hoge Raad dat de geneesheer-directeur slechts bevoegd is tot opname gedurende de geldigheidsduur van de machtiging en maximaal vier weken daarna, mits een verzoek tot aansluitende machtiging tijdig is ingediend.
In deze zaak was het besluit tot opname genomen na deze termijn van vier weken, waardoor de vrijheidsbeneming onrechtmatig was. De Hoge Raad vernietigt daarom de bestreden beschikking en verstaat dat de vrijheidsbeneming tussen 23 januari 2013 en 27 februari 2013 niet rechtmatig was. Het incidentele beroep van de Officier van Justitie wordt verworpen.