Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2020:305

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 februari 2020
Publicatiedatum
20 februari 2020
Zaaknummer
19/05298
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 14d Wet Bopz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep inzake machtiging voortgezet verblijf na omzetting voorwaardelijke machtiging Wet Bopz

Betrokkene heeft cassatieberoep ingesteld tegen een beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant inzake de machtiging tot voortgezet verblijf na omzetting (conversie) van een voorwaardelijke machtiging op grond van artikel 14d van de Wet Bopz. De rechtbank had de machtiging bevestigd. De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend, en de conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekte tot verwerping van het cassatieberoep.

De Hoge Raad heeft de klachten van betrokkene beoordeeld maar geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van de beschikking. Daarbij is geen nadere motivering gegeven omdat beantwoording van de klachten niet noodzakelijk is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.

De Hoge Raad heeft het beroep verworpen en de beschikking van de rechtbank gehandhaafd. De uitspraak is gedaan door de raadsheren van de Civiele Kamer van de Hoge Raad op 21 februari 2020.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de beschikking van de rechtbank wordt gehandhaafd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer19/05298
Datum21 februari 2020
BESCHIKKING
In de zaak van
[betrokkene],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: G.E.M. Later,
tegen
OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT ZEELAND-WEST-BRABANT,
VERWEERDER in cassatie,
hierna: officier van justitie,
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/02/362230/FA RK 19/4239 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 23 augustus 2019.
Betrokkene heeft tegen de beschikking van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld. De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.
De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van betrokkene heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel

De Hoge Raad heeft de klachten over de beschikking van de rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die beschikking. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, T.H. Tanja-van den Broek en F.J.P. Lock, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.E. du Perron op
21 februari 2020.