Conclusie
advocaat: mr. A.H.H. Conradi-Vermeulen
advocaat mr. H. Boom
toewijzing van zijn reconventionele vorderingen.
1.Feiten en procesverloop
niet-ontvankelijkmoeten worden verklaard in zijn reconventionele vorderingen. [6]
2.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel 1.1klaagt [eiser] over het oordeel van hof dat de verzettermijn is gaan lopen vanaf 21 juni 2018. Volgens [eiser] heeft hij echter ‘onweersproken (…) gesteld en onderbouwd’ dat hij ‘eerst op 4 juli op de hoogte is geraakt van de tenuitvoerlegging van voornoemd vonnis’. Het hof had dan ook moeten oordelen dat de verzettermijn pas op de dag na de laatstgenoemde datum was aangevangen, te weten op 5 juli 2018. Volgens [eiser] heeft het hof hiermee blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
[…] / […]uit 2000 al geoordeeld dat de strakke verzettermijnen van art. 81 Rv Pro-oud niet steeds kunnen worden aangehouden, omdat dat ertoe kan leiden dat er situaties zijn waarin de toegang tot de rechter in feite illusoir is. [12]
Morning Star/Republiek Gabon. [13] Als niet binnen deze termijn verzet wordt ingesteld, is dat in beginsel fataal.
[…] / […]uit 2004 besliste de Hoge Raad dat onder omstandigheden een onverkorte toepassing van de regeling van de verzettermijn achterwege moet blijven, namelijk indien de toepassing van die regels tot een resultaat leidt dat niet voldoet aan de eisen van een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM Pro. [14] Dat geldt in het bijzonder in een situatie waarin een bij verstek veroordeelde pas in het stadium van tenuitvoerlegging met het veroordelend vonnis bekend raakt (rov. 3.4). Hoewel het arrest gewezen is onder Rv-oud, is het ook relevant voor de huidige verzetregeling. Dit omdat het zich onder de huidige regeling nog steeds kan voordoen dat de toegang tot de rechter voor een bij verstek veroordeelde gedaagde in feite illusoir is, namelijk als de veroordeelde pas
nahet verstrijken van de verzettermijn bekend is geraakt met het verstekvonnis. Dat kan zich met name voordoen in de situatie waarin de dagvaarding en het verstekvonnis niet in persoon zijn betekend én de bij verstek veroordeelde niet bekend is geraakt met de tenuitvoerlegging van het vonnis. [15]
binnen veertien dagennadien verzet heeft ingesteld,
[…] / […]uit 2000 is ten aanzien van de lengte van de termijn volstaan met de overweging ‘dat de rechter vervolgens zelf een termijn moet bepalen die wel in overeenstemming is met die verdragsbepaling’ (art. 6 EVRM Pro dus). De door de rechtbank gehanteerde termijn van veertien dagen werd in het arrest in stand gelaten. [16]
Azeta/Chiliuit 2010 overwogen dat als uitgangspunt geldt dat met de verzettermijn een evenwicht is gezocht tussen enerzijds het belang dat een oorspronkelijk gedaagde niet gebonden wordt aan een hem niet bekend veroordelend vonnis, en anderzijds het belang van de oorspronkelijk eiser dat op enig (met een voldoende mate van zekerheid te bepalen) moment de veroordeling bij verstek onherroepelijk wordt. De regeling van de verzettermijn is het resultaat van een afweging van deze beide met het recht op toegang tot de rechter samenhangende belangen. Bij de toepassing daarvan in een concreet geval mag het recht van de beide betrokken partijen op toegang tot de rechter niet in de kern worden aangetast. [17] Over de lengte van de nadere termijn is in het arrest niets overwogen.
veertien dagen. [18] Daarbij wordt dan verwezen naar de nadere termijn die de Hoge Raad heeft bepaald voor de situatie dat een partij buiten de appeltermijn hoger beroep instelt, nadat (i) de inleidende dagvaarding niet in persoon aan haar is betekend (ii) zij niet is verschenen in de procedure in eerste aanleg, terwijl (iii) haar medegedaagde wél in het geding was verschenen (zodat sprake was van een vonnis op tegenspraak), en (iv) aan deze partij het vonnis niet bekend is geworden voorafgaand aan het verstrijken van de appeltermijn. Volgens vaste rechtspraak wordt aan zo’n partij een nadere termijn van veertien dagen geboden – of zoveel minder als overeenstemt met een kortere wettelijke beroepstermijn – die aanvangt op de dag volgend op die waarop het vonnis aan de veroordeelde in persoon is betekend dan wel deze anderszins met het vonnis bekend is geraakt. [19]
vier weken, kennelijk vanuit de gedachte dat (uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat) na bekendheid met het verstekvonnis de bij verstek veroordeelde gedaagde nog de volledige wettelijke verzettermijn moet worden geboden. [20] In andere procesrechtelijke literatuur wordt in het midden gelaten of de bij verstek veroordeelde gedaagde in zo’n bijzonder geval een nadere termijn van veertien dagen of vier weken moet worden geboden. [21]
doorbrekingvan de geldende regels over de termijnen, en niet om een nieuwe (buitenwettelijke) termijn in de opsomming van de aanvang van verzettermijnen in art. 143 Rv Pro.
onderdeel 1.1beschreven klacht kan ik kort zijn. Het is niet juist dat [eiser] ‘onweersproken heeft gesteld en onderbouwd’ dat hij eerst op 4 juli 2018 op de hoogte is geraakt van de tenuitvoerlegging van het vonnis. Bouwinvest heeft namelijk in haar memorie van antwoord gesteld dat de verzettermijn op de voet van art. 143 lid 3 Rv Pro jo. art. 144 sub d Rv Pro is gaan lopen op 21 juni 2018. [26] Overigens zijn de termijnen voor het instellen van verzet van openbare orde, zodat de rechter deze termijnen ambtshalve moet vaststellen en toepassen. [27] Daarbij is de rechter niet gebonden aan de stellingen van partijen, ook als die stellingen onweersproken gesteld en onderbouwd zijn. [28]
onderdeel 1.2klaagt [eiser] dat het oordeel van het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, ‘omdat zijn oordeel dat een termijn van twee weken onder alle omstandigheden volstaat om een verzetprocedure aanhangig te maken, geen steun vindt in de wet of de vaste jurisprudentie'.
onderdeel 1.3heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, door te oordelen dat [eiser] – vanaf het moment dat hij aangeeft voor het eerst bekend te zijn geraakt met de hoofdinhoud van het verstekvonnis – aan de resterende twee weken genoeg had om in verzet te komen tegen dit vonnis. Het hof is er vanuit gegaan dat de verzettermijn op 21 juni 2018 is gaan lopen. Dat betekent dat op 5 juli 2018, de dag waarop [eiser] de mail van zijn advocaat daadwerkelijk heeft gelezen en bekend is geraakt met het vonnis, al twee van de vier weken waren verstreken. Daarmee is het oordeel van het hof in strijd met art. 6 EVRM Pro en de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (verwezen wordt naar HR 25 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4936,
NJ2000/509 (
[…] / […]). Het hof had aan de hand van een belangenafweging moeten beoordelen of [eiser] op 5 juli 2018 nog voldoende tijd had om verzet aan te tekenen; die afweging had zonder meer in het voordeel van [eiser] moeten uitvallen, aldus het onderdeel.
onderdeel 1.5in dat het oordeel van het hof des te meer onbegrijpelijk is, omdat het hof niet toelicht waarom in het licht van alle omstandigheden van het geval een feitelijke verzettermijn van twee weken toereikend hadden kunnen zijn.
NJ2000/509 (
[…] / […])) is gewezen onder art. 81 Rv Pro-oud, dat inhield dat tenuitvoerlegging van het verstekvonnis de verzettermijn deed eindigen. Die regel bestaat thans niet meer (zie onder 2.8). Uit het arrest kan niet worden afgeleid wat [eiser] verdedigt. Onderdeel 1.3 faalt derhalve.
onderdeel 2klaagt [eiser] dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, waar het gaat om de ontvankelijkheid van zijn vorderingen in reconventie. De klacht is in het bijzonder gericht tegen de volgende overweging (rov. 3.6):
Broier/Hemmekam(zie daarover nader onder 2.37 e.v.).
Broier/Hemmekamzou kunnen worden afgeleid dat als een partij in haar verzet niet-ontvankelijk is verklaard wegens een overschrijding van de verzettermijn, zij ook niet-ontvankelijk is in een eventuele reconventionele vordering die in de verzetdagvaarding is opgenomen. [31] In deze zaak was Broier bij verstek veroordeeld om een aantal roerende zaken aan de oorspronkelijke eiseres (ex-echtgenote Hemmekam) af te geven. Broier stelde hiertegen verzet in en vorderde in reconventie teruggave van de zaken. De rechtbank achtte Broier ontvankelijk in zijn verzet en gaf Hemmekam een bewijsopdracht ten aanzien van de eigendom van de zaken. Hemmekam stelde hiertegen hoger beroep in, waarbij zij onder meer aanvoerde dat de rechtbank Broier ten onrechte ontvankelijk had geacht in zijn verzet. Het hof volgde dat betoog en oordeelde dat Broier niet-ontvankelijk was in het verzet wegens termijnoverschrijding. Ten aanzien van de overige grieven (onder meer gericht tegen de beoordeling van de vordering in reconventie) volstond het hof met de overweging ‘dat Hemmekam daar geen belang bij heeft’. [32] In cassatie voerde Broier aan dat het hof hem ten onrechte ook in zijn vordering in reconventie niet-ontvankelijk had verklaard, zonder daar verder enige nadere overweging aan te wijden. De Hoge Raad verwierp deze klacht met de volgende overweging:
Broier/Hemmekamwas namelijk dat de vordering in conventie en de vordering in reconventie precies elkaars spiegelbeeld waren: toewijzing van de vordering in conventie kon niet anders dan leiden tot afwijzing van de vordering in reconventie. Nu ook de afwezigheid van voldoende belang leidt tot niet-ontvankelijkheid van een vordering, kon inderdaad geoordeeld worden dat Broier niet-ontvankelijk was in zijn vordering in reconventie; een inhoudelijke behandeling van die vordering zou niet tot een ander resultaat hebben kunnen leiden. [33]
overvallen), is in voormeld licht evenwel geen plaats.”
Broier/Hemmekam– dat bij niet-ontvankelijkheid van het verzet ook de vordering in reconventie niet aan de orde kan komen: [38]
Broier/Hemmekamvoegen zij hieraan toe: [39]
Ook zal de reconventie in een te laat ingesteld verzet kunnen worden aangemerkt als een zelfstandige procedure mits dit in de verzetprocedure maar duidelijk kenbaar wordt gemaakt.’ [40]
niet-ontvankelijkheid van de eis in reconventie geen gevolgen zou moeten hebben voor de eis in reconventie’. [44] Het tegenovergestelde standpunt zou weinig praktisch zijn, schrijft hij.
doetde rechter dat ook, namelijk tijdens de mondelinge behandeling. Het lijkt echter niet erg praktisch dat de rechter dit steeds zou moeten doen (als de verzetdagvaarding hierover zwijgt), omdat er niet altijd een mondelinge behandeling plaatsvindt en de rechter dan een partij in de gelegenheid zal moeten stellen om zich hierover nader uit te laten.
afgewezen(omdat door de niet-ontvankelijkheid van het verzet de beslissing in conventie vaststaat [48] ), dan dat de vordering niet-ontvankelijk wordt verklaard wegens gebrek aan belang (vgl. onder 2.37-2.38). [49]
een voorwaardelijkeeis in reconventie, namelijk onder de voorwaarde dat het verzet van opposant ontvankelijk is.