ECLI:NL:HR:2000:AA4936
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Mijnssen
- raadsheer Neleman
- raadsheer Jansen
- raadsheer Van der Putt-Lauwers
- raadsheer Kop
- raadsheer De Savornin Lohman
- Rechtspraak.nl
Toegang tot de rechter bij verzet tegen verstekvonnis in huurovereenkomst
De zaak betreft een geschil tussen Stienstra Holding B.V. en een huurder over de ontbinding en ontruiming van een gehuurde flatwoning wegens verboden onderhuur. Na een verstekvonnis van de kantonrechter dat ontruiming gelastte, kwam de huurder in verzet, maar werd dit verzet aanvankelijk ongegrond verklaard wegens te late indiening.
De rechtbank verklaarde de huurder echter ontvankelijk in zijn verzet, omdat hij pas bij de daadwerkelijke ontruiming op 4 december 1996 kennis nam van het verstekvonnis en daardoor onvoldoende tijd had om binnen de wettelijke termijn van art. 81 lid 2 Rv Pro. verzet in te stellen. De rechtbank oordeelde dat deze regeling in dit geval strijdig was met het recht op toegang tot de rechter zoals gewaarborgd in art. 6 EVRM Pro.
De Hoge Raad bevestigt dat het recht op toegang tot de rechter niet absoluut is, maar dat de toepassing van art. 81 lid 2 Rv Pro. in omstandigheden waarin de veroordeelde pas bij de tenuitvoerlegging kennis neemt van het vonnis, tot een onredelijke beperking kan leiden. De Hoge Raad vernietigt het vonnis van de rechtbank voor zover de zaak naar de kantonrechter werd terugverwezen en verwijst de zaak terug naar de rechtbank voor verdere behandeling.
De Hoge Raad onderschrijft de redenering van de rechtbank dat een verzettermijn van veertien dagen na de tenuitvoerlegging een passende oplossing is om de toegang tot de rechter te waarborgen. De beslissing omtrent de proceskosten wordt gereserveerd tot de einduitspraak.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het vonnis voor zover de zaak naar de kantonrechter werd terugverwezen en verwijst de zaak naar de rechtbank voor verdere behandeling.