Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
“opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod”,
“diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking”,
“opzetheling”,
“opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod”en
“handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig dagen, met aftrek als bedoeld in artikel 27 Sr Pro. Daarnaast heeft het hof een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van dertig uren opgelegd, indien niet naar behoren verricht te vervangen door vijftien dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren.
eerste middelklaagt dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, het OM ontvankelijk heeft geacht in zijn vervolging ter zake van het onder 1. primair ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 16-653012-13, en wel voor zover het de periode van 15 mei 2012 tot 26 juni 2012 betreft. Nu het recht tot strafvordering ter zake van dit (deel van het) ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit wegens verjaring reeds was vervallen toen het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep een aanvang nam, had het hof het OM in zoverre niet-ontvankelijk moeten verklaren, aldus het middel.
voortdurend delict. Het delict behelst immers de opzettelijke instandhouding van een verboden toestand (hennepteelt), die heeft voortbestaan gedurende de ten laste gelegde en bewezen verklaarde periode. [1]
gaandeweg, dat wil zeggen: successievelijk iedere dag voor wat betreft de verboden toestand op de daaraan voorafgaande dag binnen de ten laste gelegde periode? Of wordt het voortdurend delict in dit verband als één geheel beschouwd en vangt de verjaringstermijn niet eerder aan dan op de dag na die waarop het delict is beëindigd? Als ik het goed zie heeft de Hoge Raad gekozen voor het laatste. Omtrent een geval van belaging als bedoeld in artikel 285b Sr, werd in de conclusie die voorafging aan HR 1 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2457,
NJ2017/52, ambtshalve opgemerkt dat de belaging voor een gedeelte van de bewezen verklaarde periode was verjaard wegens het successievelijk verstrijken van de absolute verjaringstermijn. Mijn ambtgenoot nam derhalve een standpunt in dat overeenstemt met dat van de steller van het middel in de voorliggende zaak.
tweede middelricht zich met een motiveringsklacht tegen de in de zaak met parketnummer 16-653012-13 onder 2 bewezen verklaarde diefstal door middel van verbreking. Het middel klaagt dat uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat de verdachte de verzegeling van de meterkast heeft verbroken en een illegale aansluiting buiten de elektriciteitsmeter om heeft gemaakt.
in zijn eentjeheeft opgezet, ingericht en onderhouden, terwijl een illegale elektriciteitsaansluiting de desbetreffende hennepkwekerij van stroom voorziet.
medegepleegd.
het gewoon mensen waren met wie hij childe”. Voor zover de getuigen verklaren over het ‘onder dwang’ opzetten en verzorgen van de kwekerij stoelen hun verklaringen bovendien slechts op hetgeen de verdachte hen daarover heeft verteld. Andere bronnen van wetenschap hebben de getuigen kennelijk niet. Dat het hof tegen deze achtergrond heeft geoordeeld dat het alternatieve scenario van de verdachte niet voldoende aannemelijk is geworden, vind ik dan ook niet onbegrijpelijk. [15] Voor het overige leent dit oordeel zich niet voor verdere toetsing in cassatie. [16]
in z’n eentjeheeft opgezet, ingericht en onderhouden, terwijl een illegale elektriciteitsaansluiting onderdeel van de hennepkwekerij uitmaakte. [17]
derde middelricht zich tegen de bewezenverklaring van de onder 1. subsidiair ten laste gelegde opzetheling in de zaak met parketnummer 16-659585-13, voor zover inhoudende dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de iPhone wist dat dit een door misdrijf verkregen goed betrof.
ten tijde van het voorhanden krijgenvan deze iPhone, is dus niet beschikbaar op basis van de bewijsmiddelen alleen. Dat wil evenwel nog niet zeggen dat bij het ontbreken daarvan niet tot een bewezenverklaring van opzetheling kan worden gekomen.
geloofwaardigeverklaring zou geven over de verkrijging van de iPhone, bij gebreke waarvan daaraan conclusies mogen worden verbonden.
aangetoondeongeloofwaardigheid van de verklaringen van de verdachte heeft hem hier – en niet onbegrijpelijk – parten gespeeld. [25]
vierde middelkeert zich met twee deelklachten tegen de bewezenverklaring in de zaak met parketnummer 16-661996-13 onder 1: het aanwezig hebben van 348 pillen van een materiaal bevattende MDMA. Volgens de toelichting op de eerste deelklacht volgt uit de bewijsvoering niet dat de bewezen verklaarde pillen MDMA bevatten. De tweede deelklacht keert zich tegen het gebruik door het hof van verdachtes beroep op zijn zwijgrecht als bewijsmiddel.
”
amfetaminehebben laten zien (bewijsmiddel 4). In de bewezenverklaring is evenwel opgenomen dat de verdachte 348 pillen van een materiaal bevattende
MDMAopzettelijk aanwezig heeft gehad.
“MDMA en/of Amfetamine”als
“zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I”als alternatieven. Nu het hof bewijsmiddel 4 ten grondslag heeft gelegd aan de bewezenverklaring, meen ik dat het hof in plaats van ‘MDMA’ ‘amfetamine’ heeft bedoeld op te nemen als de harddrug die de verdachte opzettelijk in pilvorm aanwezig heeft gehad. De bewezenverklaring kan in zoverre dan ook verbeterd worden gelezen. Enig belang van de verdachte bij vernietiging en terugwijzing kan ik in deze schrijffout niet ontdekken. [26] Voor de kwalificatie, de aard en ernst van de bewezenverklaring maakt het niet uit. [27]
“over de pillen verklaar ik dat het kan kloppen. Ik beroep mij op mijn zwijgrecht, het is een tijd geleden en ik herinner me er niet zoveel van.”
“over de pillen verklaar ik dat het kan kloppen.”Pas daarna beroept de verdachte zich, naar ik begrijp, verder op zijn ‘zwijgrecht’, omdat hij naar eigen zeggen zich er niet zo veel meer van herinnert daar het een tijd geleden is. Een kaal beroep op zijn zwijgrecht kan ik hierin niet ontwaren. De stelling van het middel dat het hof in deze zaak ten onrechte het beroep van de verdachte op zijn zwijgrecht aan het bewijs heeft laten bijdragen berust in mijn ogen dan ook op een verkeerde lezing van het arrest.
vijfde middelklaagt dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden.