Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
3.Beoordeling van het zesde middel
4.Beoordeling van de overige middelen
5.Slotsom
6.Beslissing
1 november 2016.
Hoge Raad
De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor belaging van zijn ex-vriendin in de periode van 1 mei 2003 tot 1 oktober 2005. Het hof verklaarde het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk voor het deel van de tenlastelegging dat betrekking had op de periode van 1 mei 2002 tot 18 november 2002 wegens verjaring.
De Hoge Raad oordeelde ambtshalve dat, gelet op de kwalificatie van het bewezenverklaarde als één misdrijf en de toepasselijke absolute verjaringstermijn van art. 72.2 Sr, er geen sprake was van verjaring voor het bewezenverklaarde deel. Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn in de cassatiefase was overschreden doordat de stukken te laat door het hof waren ingezonden.
Als gevolg hiervan werd de opgelegde gevangenisstraf verminderd van acht maanden naar zeven maanden en twee weken. De overige middelen van cassatie werden verworpen omdat zij geen rechtsvragen opriepen die beantwoording in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling vereisten.
De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest uitsluitend voor wat betreft de duur van de gevangenisstraf en bevestigde het verder. De uitspraak werd gedaan op 1 november 2016 door de Strafkamer van de Hoge Raad.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot zeven maanden en twee weken wegens overschrijding van de redelijke termijn.