Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerste middel
Ill Inbreuk persoonlijke levenssfeer [benadeelde 1] , [benadeelde 3] en [benadeelde 2] te kort om als stelselmatig te kwalificeren
“We’d better talk! Mevrouw uw valse aangifte kan u duizenden euro ’s kosten. UR Warned.” [8]
Nadere bewijsoverweging
stelselmatigeinbreuk op de persoonlijke levenssfeer. De verdachte dient derhalve van deze onderdelen van de tenlastelegging te worden vrijgesproken, aldus de raadsman.
NJ2013/393 m.nt. Reijntjes waren binnen één week drie anonieme sms-berichten naar de diensttelefoon van de aangeefster verzonden. De aangeefster was als rechercheur bij de politie functioneel betrokken geweest bij een grootschalig opsporingsonderzoek naar wapenhandel dat ertoe had geleid dat enkele verdachten tot hoge straffen waren veroordeeld. Mijn ambtgenoot Hofstee wijst er in zijn conclusie voorafgaand aan dit arrest op dat de impact van deze (slechts) drie berichten aanzienlijk was. Nog daargelaten dat de aangeefster zelf een enorme angst had gekregen dat ook haar kinderen iets zou kunnen overkomen en dat zij mede om die reden niet meer goed op de werkvloer functioneerde, nam de Nationale Recherche de berichten en de overige, daarmee samenhangende, omstandigheden zo serieus dat de aangeefster haar huis moest verlaten om met haar kinderen een periode in het buitenland te verblijven. De Hoge Raad oordeelde in deze zaak als volgt:
NJ2014/182 had de verdachte in een tijdsbestek van één dag zijn ex-vrouw drie maal gebeld (waarbij de verdachte eenmaal de voicemail had ingesproken), was hij drie keer bij de woning van zijn ex-vrouw langs gaan en had hij een foto van een gemaskerde man in haar brievenbus gedaan met daarop aangegeven: “Als u dit leest voor 13.13 uur bel of sms me dan. (...). Het is in Kim's belang dat je contact met me opneemt. We'd better talk! Mevrouw uw valse aangifte kan u duizenden euro’s kosten”. Het hof was van oordeel dat gezien de indringendheid van de teksten en de wijze waarop en de frequentie waarmee verdachte op die dag contact heeft gezocht met zijn ex-vrouw, gesproken kan worden van belaging en overwoog dat de verdachte zijn ex-vrouw gedurende genoemde korte periode veelvuldig en op zeer indringende wijze heeft lastig gevallen met de bedoeling om tegen haar uitdrukkelijke wens in contact te krijgen met zijn ex-vrouw. Uit de voor het bewijs gebruikte aangifte blijkt dat aangeefster de gedragingen van de verdachte als bedreigend aanmerkt. Zij verklaart dat zij door het bericht dat de verdachte de afgelopen 24 uur 3 keer bij haar is langs geweest, zich niet meer veilig voelt in haar eigen woning en genoodzaakt is om de deuren op slot te doen en, als zij naar buiten gaat, om goed om zich heen te kijken of de verdachte niet ergens verdekt staat opgesteld. De Hoge Raad oordeelde dat, in aanmerking genomen hetgeen de bewijsvoering inhoudt omtrent de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van betrokkene, het oordeel van het hof dat sprake is van “stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer” als bedoeld in art. 285b Sr niet zonder meer begrijpelijk is.
gelijksoortige, maar niet dezelfde gedragingen.
“We gaan je op websites zetten, we gaan je voordoen alsof dat jij hoer bent. We gaan dit ook op je werk vertellen” [20] en
“We blijven doorgaan met jouw leven kapot maken. Je kinderen kunnen van mij betreft aan het gas. Je moet nog maar uitkijken voor je kinderen. Misschien doe ik hen […] ook nog wel iets aan. We zijn niet te vinden, maar we weten jou wel te vinden.” [21] Tegenover de politie verklaart de aangeefster op 1 juni 2017 het heel vervelend te vinden dat iemand anders al haar identiteitsgegevens heeft en zich zeer bedreigd te voelen.
(“Je kankermoeder” [22] ) als ook over zijn dochter
(“Het kwam erop neer dat zij een travestiet was en dat die eigenlijk niet mogen bestaan” [23] ). Op diezelfde dag zijn vervolgens zes verschillende pizzabezorgers niet door [benadeelde 3] geplaatste bestellingen komen afleveren bij zijn woning en in de daaropvolgende nacht – te weten op 21 juni 2017 – is er ook een taxichauffeur aan zijn deur geweest, die hij eveneens niet had besteld. Op 20 juni 2017 werden ook de ex- vrouw en dochter van [benadeelde 3] , via een aan zijn ex-vrouw [betrokkene 2] gericht e-mailbericht, uitgescholden en bedreigd
(“He grote kankerhoer, met je vuile travestiete kankerhomo van een zoon, die niets waard is. Ik kom je nog wel halen. Ik steek ‘ [betrokkene 3] ’ in zijn kanker nek. Kijk maar om je schouder, kankerhoer” [24] ), van welke scheldpartijen en bedreiging [benadeelde 3] kennis heeft genomen.
Nog steeds ondervind ik nare gevolgen ervan. Omdat ik niet weet wie mij dit aangedaan heeft, weet ik niet waar degene nog meer toe in staat is. Hoe ver kunnen ze gaan? Dat is een beangstigend gevoel. De belaging heeft voor mij een vervelende nasleep.”
NJ2014/182 en dat de inhoud van de telefoontjes en e-mails dreigender is dan in die zaak, maar dat daar tegenover staat dat de verdachte noch de medeverdachte nabij de woningen van de aangevers is geweest. De verdediging heeft tevens aangevoerd dat de overweging van de rechtbank inhoudende dat de anonimiteit van de verdachte en Van Hees in combinatie met de mededeling dat zij over de persoonlijke gegevens van de aangevers beschikten de angst heeft gecreëerd dat de belaging onbeperkt voort kon duren, welke omstandigheid de rechtbank heeft meegewogen in het oordeel of er sprake was van een stelselmatige inbreuk, onvoldoende compensatie biedt voor de zeer korte duur omdat het lastigvallen feitelijk maar één dag heeft geduurd en omdat de aangevers met iedere dag die verstreek de bevestiging kregen dat het éénmalig was.
“dat het handelen van de verdachte en de medeverdachte de levens van de slachtoffers langere tijd hebben beperkt dan de voormelde één à twee dagen. Zo is ten aanzien van alle slachtoffers sprake van ernstige bedreigingen gericht aan henzelf en/of hun kind(eren). Dit heeft bij deze slachtoffers gevoelens van onveiligheid teweeggebracht die langere tijd hebben geduurd. De dochter van [benadeelde 3] is met de dood bedreigd. Het slachtoffer [benadeelde 2] heeft zich langere tijd onveilig gevoeld in zijn eigen woning en was bevreesd voor het weer (moeten) openen van de deur voor niet door hem geplaatste bestellingen. Het slachtoffer [benadeelde 1] was ook nadien nog bevreesd om wederom te worden lastig gevallen en haar kinderen durfden bovendien niet meer naar school te gaan.”Voorts heeft het hof bij zijn oordeel in aanmerking genomen dat alle aangevers
“niet wisten met wie zij te maken hadden, dat zij geen idee hadden hoe lang deze voormelde handelingen door zouden gaan en hoe serieus zij deze handelingen en de bedreigingen moesten nemen”.Hoewel deze bedreigingen en de anonimiteit van de verdachte en zijn medepleger derhalve angst hebben veroorzaakt bij de slachtoffers, is – anders dan in de aan HR 12 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3625, NJ 2013/393 m.nt. Reijntjes ten grondslag liggende uitzonderlijke casus – in de onderhavige zaak mijns inziens geen sprake van een zodanige ontwrichting van het leven en aantasting van de persoonlijke levenssfeer van de aangevers [26] dat daarmee de zeer beperkte duur van de bewezenverklaarde gedragingen (mede) gecompenseerd zou kunnen worden en de gedragingen als “stelselmatig inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer” kunnen worden aangemerkt. Ik meen met andere woorden dat de door het hof in aanmerking genomen factoren onvoldoende compensatie bieden voor de zeer korte duur waarbinnen het bewezenverklaarde feit is gepleegd. Het beeld dat per aangever uit het bestreden arrest naar voren komt wijst telkens niet zozeer op handelen als bedoeld in art. 285b, eerste lid, Sr. Dat de onveiligheidsgevoelens ook ná de gedragingen voortduurden en de gedragingen op het leven van de aangevers een enorme impact hebben gehad, maakt dit niet anders. De bewezenverklaarde gedragingen zijn, gelet op de bewijsvoering van het hof, eerder te beschouwen als zeer nare incidentele pesterijen, geïsoleerde intimidatie of als bedreiging zonder patroon. Deze kwalificaties moeten – zoals ook onder 3.8 is vooropgesteld – worden onderscheiden van belaging in de zin van art. 285b, eerste lid, Sr.
II Aangeefster [benadeelde 4]
opzettelijk inbreukmaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer met het
oogmerk die anderte dwingen [...]
'die ander’te beschermen, niet die van een object of de bewoners/gebruikers van het object. Daarnaast meent de verdediging dat je tenminste moet weten dat
die anderbestaat en geraakt wordt door de handelingen die je (jegens een ander) verricht om te kunnen bewijzen dat je dat hebt gedaan met het oogmerk, de zwaarste vorm van opzet, die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, etc. Nu dat niet kan worden vastgesteld, dient appellant te worden vrijgesproken van belaging van [benadeelde 4] .”
Nadere bewijsoverweging
NJ2007/107 m.nt. Mevis. Het hof had onder meer bewezenverklaard dat de verdachte zijn directe buren – [...] en haar gezinsleden – had belaagd door, naar aanleiding van het met schoenen op de trap lopen en het doortrekken in de wc in de woning van die [...] , verschillende gedragingen te verrichten (onder andere het meerdere malen per dag tegen een tussenmuur bonken, het meerdere malen per dag [...] en haar gezinsleden toeroepen dat zij zachter op de trap moeten lopen en de wc niet meer mogen doortrekken, het gooien van stenen in de tuin van [...] , etc.). De Hoge Raad oordeelde dat, anders dan het middel kennelijk bedoelde te betogen, de omstandigheid dat de verdachte en de slachtoffers buren waren, niet aan het aannemen van belaging in de weg staat, dat beslissend is of sprake is van gedragingen waardoor wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van een ander met het in de delictsomschrijving nader omschreven oogmerk, waarbij het er om gaat of het lastigvallen
van een ander(cursivering DP) een zekere mate van indringendheid, duur en frequentie heeft. De Hoge Raad oordeelde dat het hof, door te oordelen dat de gedragingen van de verdachte belaging van [...] en haar gezinsleden opleveren, geen blijk had geven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip belaging. De Hoge Raad deed het middel voor het overige af met art. 81, eerste lid, RO. Met mijn ambtgenoot Keulen leid ik uit dit arrest af dat ook situatief bepaalde belaging naar het oordeel van De Hoge Raad onder art. 285b, eerste lid, Sr valt [28] en dat de door Knigge bepleite “exclusieve gerichtheid van het gedrag op de persoon van het slachtoffer” volgens de Hoge Raad niet is vereist. Dat wil niet zeggen dat de belaging “ongericht” kan zijn. De Memorie van Antwoord bij het voorstel van wet tot strafbaarstelling van belaging houdt daaromtrent het volgende in [29] :