Conclusie
middelricht zich tegen de bewezenverklaring en bestaat, gezien de daarop gegeven toelichting, uit twee klachten. De eerste klacht houdt in dat uit de gebruikte bewijsmiddelen niet (zonder meer) kan volgen dat de verdachte zich in de (gehele) bewezenverklaarde periode heeft schuldig gemaakt aan belaging. De tweede klacht houdt in dat het gedurende (slechts) vier dagen meermalen telefonisch contact maken niet, althans niet zonder meer, valt onder de delictsomschrijving van art. 285b lid 1 Sr.
als verklaring van [betrokkene 1] (…):
als verklaring van verbalisant (…):
als verklaring van verdachte (…):
NJ2013/393 m.nt. Reijntjes oordeelde Uw Raad dat de omstandigheid dat de verdachte slechts een beperkt aantal (drie) sms-berichten in een periode van een week had verstuurd (waarvan de eerste twee binnen 24 uur), er niet aan in de weg stond om in dat specifieke geval een stelstelmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer aan te nemen. Daarbij speelde een rol dat de berichten gaandeweg specifieker en indringender werden, refereerden aan de functionele betrokkenheid van de aangeefster bij een grootschalig opsporingsonderzoek naar wapenhandel, leidden tot angst voor de veiligheid van haar en haar kinderen en tot ontwrichting van haar sociale leven, haar belemmerden in haar werk en teweegbrachten dat zij tijdelijk in het buitenland werd ondergebracht.
NJ2013/394 m.nt. Reijntjes, waarin het hof bewezen had verklaard dat de verdachte zich had schuldig gemaakt aan belaging door iemand in een periode van drieënhalve maand meermalen een sms-bericht te sturen, oordeelde Uw Raad dat die bewezenverklaring ontoereikend was gemotiveerd en nam daarbij mede in aanmerking dat de bewijsmiddelen over de aard van de gedragingen van de verdachte niet meer inhielden dan dat de aangeefster per sms ‘vele bedreigingen’ van de verdachte had ontvangen.
NJ2007/107 m.nt. Mevis was de verdachte de buurman van de aangeefster. Hij had gedurende lange periodes onder andere meermalen per dag tegen de muur gebonkt, aangeefster meermalen toegeschreeuwd dat zij en haar gezinsleden overlast veroorzaakten, een bord in de tuin van aangeefster geplaatst met de tekst ‘Schoenen uit’ etc. A-G Knigge beargumenteerde dat belaging een exclusieve gerichtheid op de persoon van de slachtoffers vereist. Nu de bewijsmiddelen de mogelijkheid openlieten dat de belaging ‘situatief bepaald’ was, concludeerde hij dat het middel slaagde. Uw Raad was van oordeel dat ‘de omstandigheid dat de verdachte en de slachtoffers buren waren, niet aan het aannemen van belaging in de weg’ stond. Daaruit leid ik af dat ook situatief bepaalde belaging naar het oordeel van Uw Raad onder het artikel valt. [8]