Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beslissing
30 maart 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin verdachte werd veroordeeld voor stelselmatige belaging van meerdere personen over een periode van ruim negen maanden. De gedragingen betroffen onder meer het plegen van bedreigende telefoontjes, het laten bezorgen van bezorgdiensten op woonadressen van slachtoffers en het afsluiten van abonnementen op naam van een van hen.
Het hof oordeelde dat ondanks het korte tijdsbestek waarin de gedragingen plaatsvonden, deze zo indringend waren dat sprake was van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers. De Hoge Raad stelt echter dat het oordeel van het hof niet zonder meer begrijpelijk is omdat de motivering omtrent de aard, frequentie en intensiteit van de gedragingen ontoereikend is.
De Hoge Raad bevestigt dat bij de beoordeling van belaging de aard, duur, frequentie en intensiteit van de gedragingen, de omstandigheden waaronder deze plaatsvonden en de invloed op het persoonlijke leven van het slachtoffer van belang zijn. Omdat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de gedragingen als stelselmatig moeten worden aangemerkt, vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak terug naar het hof.
Daarnaast wijst de Hoge Raad op een tweede cassatiemiddel dat de advocaat-generaal nog moet behandelen en verwijst de zaak naar de rolzitting voor verdere behandeling. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren van de Hoge Raad.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nadere beoordeling.