7.3 Matiging
Reeds hierboven is opgemerkt dat naar het oordeel van het hof het onverkort toepassen van de 'Black-Widow'-maatstaf in dit geval tot een onbillijke uitkomst leidt. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de actieve en faciliterende rol van de overheid (waaronder ook het Openbaar Ministerie) ertoe heeft geleid dat de exploitatie van de coffeeshop zich kon ontwikkelen tot een dermate grote omvang dat de hierboven vastgestelde grote winsten konden worden gegenereerd. Zonder het faciliteren door die overheid was het [betrokkene] en [betrokkene 1] niet gelukt zulke grote winsten te maken.
In de hoofdzaak heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch in dit verband het volgende overwogen:
“De coffeeshop (bedoeld is Checkpoint - opmerking hof) was ingericht en georganiseerd op naleving van de gedoogvoorwaarden, zij het dat de verdachte die naar de letter bezien structureel heeft overtreden. De medewerkers werkten in een regulier dienstverband. Aan de fiscale verplichtingen werd voldaan. De exploitatie van de coffeeshop ('de voordeur') kon slechts mogelijk zijn door een regelmatige aanvoer van aanzienlijke hoeveelheden softdrugs ('de achterdeur'). Van die omstandigheid was eenieder die met de coffeeshop gemoeid was op de hoogte, óók het Openbaar Ministerie. Hier doet zich de merkwaardige en niet anders als paradoxaal aan te duiden situatie voor dat de exploitatie van een coffeeshop die zich aan .de gedoogvoorwaarden houdt, gedoogd wordt waar het de zogenoemde 'voordeur' (verkoop) betreft, maar dat de bevoorrading, het aanhouden van een. voor een behoorlijke bedrijfsvoering evident noodzakelijke voorraad en de aankoop van verdovende middelen( 'de achterdeur') onverminderd verboden zijn en strafbare feiten opleveren.
(…)De (vertegenwoordiger van) verdachte heeft openheid betracht omtrent de wijze waarop hij de coffeeshop dreef, inclusief de achterdeurproblematiek. Dat de exploitatie van de coffeeshop 'noodzakelijkerwijs' betekende dat de verdachte strafbare feiten pleegde, disculpeert verdachte niet, maar kleurt de feiten wel in hoge mate."
Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft voorts overwogen dat met strafoplegging ter zake van de door [betrokkene] en [betrokkene 1] begane strafbare feiten geen redelijk doel is gediend en heeft bepaald dat aan [betrokkene] en [betrokkene 1] geen straf of maatregel wordt opgelegd.
Gelet op de hierboven weergegeven overwegingen van de rechtbank in deze ontnemingszaak en van het gerechtshof 's-Hertogenbosch in de strafzaak die het hof overneemt en tot de zijne maakt, acht het hof het redelijk om het te ontnemen bedrag aanzienlijk lager vast te stellen dan het geschatte voordeel. Een toewijzing van de vordering zou geen recht doen aan de omstandigheden waaronder het wederrechtelijk verkregen voordeel is verkregen. Als wordt gelet op al de strafrechtelijke rechterlijke beslissingen die in de Checkpoint-zaak de afgelopen jaren zijn genomen, kan men zich afvragen of de problematiek die optrad als gevolg van de sterke groei van Checkpoint - achteraf bezien - niet beter door bestuursrechtelijk ingrijpen dan door strafrechtelijk optreden kon worden aangepakt. Daar komt bij dat de overheid (zowel de rijksoverheid als de gemeente) door belastingheffingen (bijvoorbeeld BTW, Vpb, loonheffingen, IB) en het heffen van parkeergelden reeds forse inkomsten als gevolg van de exploitatie van Checkpoint door betrokkenen heeft gehad, terwijl die zelfde overheid (inclusief het Openbaar Ministerie) wist of kon weten dat Checkpoint haar hoge winsten alleen kon behalen doordat zij voortdurend in ieder geval gedoogvoorwaarde A.4 overtrad.
Anderzijds acht het hof het met de rechtbank maatschappelijk niet aanvaardbaar dat een wetsovertreder al het door hem met strafbare feiten verdiende geld mag behouden, zelfs niet wanneer - zoals hier het geval was - de overheid daarbij een discutabele rol heeft gehad.
Rekening houdend met deze omstandigheden zal het hof een matiging van 50% toepassen op het wederrechtelijk verkregen voordeel en de vordering slechts voor dat deel toewijzen.
50% van € 7.023.340,89 =
€ 3.511.670,44”
32. Dit middel behelst de klacht dat het hof niet voldoende heeft gemotiveerd “waarom het hof oordeelde dat het maatschappelijk niet aanvaardbaar is dat een wetsovertreder al het door hem met strafbare feiten verdiende geld mag behouden, zelfs niet wanneer – zoals hier het geval was – de overheid een discutabele rol heeft gehad”, terwijl de toegepaste matiging mede op deze overweging is gebaseerd.
33. Ook bij welwillende lezing van deze klacht ben ik er niet in geslaagd te achterhalen wat de steller van het middel nu met deze klacht precies wil aankaarten. In zijn algemeenheid is het doel van de ontnemingsmaatregel evident: iemand dient door strafbaar handelen niet in een financieel betere positie te komen dan degene die zich aan de regels houdt. Ook een discutabel handelen door de overheid – in die zin dat mede vanwege de opstelling van de overheid het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene heeft kunnen groeien – neemt hier niet de wederrechtelijke oorsprong van de winst weg. Dat zou denkbaar zijn als in de strafzaak was komen vast te staan dat de rol van de overheid zodanig is geweest dat dit tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie moet leiden. Zolang dat niet het geval is, blijft het ontnemen van wederrechtelijk verkregen voordeel mogelijk. Het hof hoefde deze overweging derhalve niet nader te motiveren.
34. Het tweede namens de betrokkene voorgestelde middel faalt eveneens in zijn geheel.
III. Het door het openbaar ministerie voorgestelde middel en de beoordeling daarvan
Inleiding
35. Het middel klaagt dat het hof het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel uit het oog heeft verloren voor zover het bij de oplegging van de ontnemingsmaatregel een matiging heeft toegepast van 50% ten opzichte van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel en in zoverre blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel zijn oordeel omtrent de (omvang van de) matiging onbegrijpelijk en/of ontoereikend heeft gemotiveerd.
36. Voor de bespreking van dit middel is van belang hetgeen het hof met betrekking tot de matiging van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft overwogen. Dit onderdeel van het bestreden arrest is hierboven opgenomen in randnummer 31 en daar zij hier naar verwezen. Ik herhaal slechts dat het hof van oordeel is dat het onverkort toepassen van de 'Black-Widow'-maatstafin dit geval tot een onbillijke uitkomst leidt en dat de actieve en faciliterende rol van de overheid (waaronder het openbaar ministerie begrepen) ertoe heeft geleid dat de exploitatie van de coffeeshop zich kon ontwikkelen tot een dermate grote omvang dat de hierboven vastgestelde grote winsten konden worden gegenereerd. Volgens het hof was het zonder het faciliteren door “die overheid” [betrokkene] en [betrokkene 1] niet gelukt zulke grote winsten te maken. Met verwijzing in onderdeel 7.3 van het bestreden arrest naar de overwegingen van de rechtbank(met de rechtbank is het hof van oordeel dat de actieve en faciliterende rol van de overheid etc.) en met aanhaling van de overwegingen van het gerechtshof 's-Hertogenbosch in de strafzaak (die het hof heeft overgenomen en tot de zijne heeft gemaakt), acht het hof het redelijk om het te ontnemen bedrag aanzienlijk lager vast te stellen dan het geschatte voordeel. Een toewijzing van de vordering zou geen recht doen aan de omstandigheden waaronder het wederrechtelijk verkregen voordeel is verkregen, aldus het hof. Daar komt bij, zo overweegt het hof, dat de overheid (zowel de rijksoverheid als de gemeente) door belastingheffingen en het heffen van parkeergelden reeds forse inkomsten als gevolg van de exploitatie van Checkpoint door betrokkenen heeft gehad, terwijl diezelfde overheid, inclusief het openbaar ministerie, wist of kon weten dat Checkpoint haar hoge winsten alleen kon behalen doordat zij voortdurend in ieder geval gedoogvoorwaarde A.4 overtrad. Daar stelt het hof wel tegenover dat het hof het niet aanvaardbaar acht dat een wetsovertreder al het door hem met strafbare feiten verdiende geld mag behouden, zelfs niet wanneer – zoals hier het geval is – de overheid daarbij een discutabele rol heeft gehad. Rekening houdend met deze omstandigheden past het hof een matiging van 50% toe op het wederrechtelijk verkregen voordeel (en wijst het de vordering slechts voor dat deel toe).
37. Ik neem aan dat het hof de bevoegdheid om in dit verband te matigen afleidt uit het bepaalde in art. 36e, vijfde lid, Sr. Deze bepaling houdt het volgende in:
“De rechter stelt het bedrag vast waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat. […]. De rechter kan het te betalen bedrag lager vaststellen dan het geschatte voordeel. Op het gemotiveerde verzoek van de verdachte of veroordeelde kan de rechter, indien de huidige en de redelijkerwijs te verwachten toekomstige draagkracht van de verdachte of veroordeelde niet toereikend zullen zijn om het te betalen bedrag te voldoen, bij de vaststelling van het te betalen bedrag daarmee rekening houden. Bij het ontbreken van zodanig verzoek kan de rechter ambtshalve of op vordering van de officier van justitie deze bevoegdheid toepassen.”
38. Het middel bergt een probleemstelling in zich, die goed beschouwd uit twee delen is samengesteld. Allereerst wordt – nog in algemene zin – de reikwijdte van de matigingsbevoegdheid als bedoeld in art. 36e, vijfde lid, Sr in bespreking gebracht: vindt deze reikwijdte zijn begrenzing in enkel specifieke, op geld waardeerbare factoren (hier verder ook wel de financiële factoren te noemen), of kunnen in bepaalde gevallen ook factoren van niet-financiële aard (hierna verder ook wel aangeduid als de niet-financiële factoren) een rol spelen en tot matiging in de zin van deze bepaling leiden?Op de onderhavige zaak toegespitst luidt de vraag dan of discutabel handelen van een derde, in dit geval de overheid, een acceptabele reden kan zijn voor matiging van het ontnemingsbedrag. Voor zover deze vraag voor bevestigende beantwoording vatbaar is, volgt het tweede deel van de probleemstelling: als onder bepaalde omstandigheden ook op grond van een niet-financiële factor tot matiging in de hier bedoelde zin kan worden overgaan, heeft de rechter dan volledige vrijheid om het matigingspercentage, en dus het matigingsbedrag, zelf (ambtshalve) te bepalen?
39. Hieronder ga ik op beide kwesties in. Het eerste deel van de door de steller van het middel opgeworpen probleemstelling zal ik vertalen in een referentie aan het puur normatief-reparatoireen op financieel rechtsherstel gerichte karakter van de ontnemingsmaatregel. Het tweede deel van de probleemstelling zal ik in de sleutel zetten van het verbazingscriterium, in die zin dat een matiging op de door het hof genoemde grond en van die orde van grootte (omvang) verbazing wekt en daarom in rechte niet kan worden aanvaard. Ik meen de probleemstelling vanuit dit perspectief te kunnen benaderen, nu in de toelichting op het middel valt te lezen dat het door het hof gehanteerde matigingspercentage van 50% volledig “uit de lucht lijkt te zijn gevallen”.
40. In de toelichting op het middel wordt – tegen de achtergrond van het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel – betoogd dat de grond voor matiging gelegen moet zijn in het
financieelrechtsherstel van de betrokkene. Dat brengt direct mee dat de vrijheid van de ontnemingsrechter tot matiging in dier voege beperkt is. Het is volgens het openbaar ministerie déze begrenzing van de matigingsbevoegdheid, die het hof niet in acht heeft genomen. Hoewel in cassatie niet wordt bestreden dat de matigingsbevoegdheid ook op andere gronden dan alleen de draagkracht van de betrokkene kan berusten,wordt aangevoerd dat de bevoegdheid zodanig ruim is toegepast dat sprake is van een loslaten van een evenwichtig (compensatoir) verband tussen het
financieelnadeel van de betrokkene enerzijds en de hoogte van de matiging anderzijds. Aldus heeft het hof zich
de factoeen ongelimiteerde vrijheid veroorloofd om het ontnemingsbedrag te matigen, zulks terwijl dit nooit de bedoeling is geweest van de wetgever en dit voorts haaks staat op het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel: “Een dergelijke (nagenoeg onbegrensde) vrijheid heeft de rechter ten aanzien van de strafoplegging in een strafzaak, maar niet ten aanzien van de vaststelling van het te ontnemen bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel.” Gerefereerd wordt aan de totstandkomingsgeschiedenis van de Wet van 10 december 1992 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering en enkele andere wetten ter verruiming van de mogelijkheden tot toepassing van de maatregel van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel en andere vermogenssancties (
Stb.1993, 11), voor zover daarin het volgende te lezen valt:
“De onderhavige maatregel strekt ertoe op het financiële vlak te komen tot een herstel van de rechtmatige toestand, althans tot een teniet doen van financiële verhoudingen die door het begaan van lucratieve delicten worden geschapen. Dit element is gelet op de omvang van de vermogens die in het criminele circuit worden vergaard, van grote en zelfstandige betekenis, aangezien zoveel mogelijk dient te worden voorkomen dat het normale financiële economische leven door deze geldstromen, en door de personen die daarover de beschikking hebben, wordt gecorrumpeerd.”
Algemeen: vrijheid keuze straf of maatregel en voor waardering relevante factoren
41. Volgens het algemeen aanvaarde uitgangspunt is de feitenrechter zolang hij binnen de daarvoor gestelde grenzen blijft, vrij in de keuze van de straf of maatregel en in de waardering van de factoren die hij in dat verband van belang acht.Die vrijheid heeft ook haar beslag gekregen in verschillende wetsbepalingen. Ik concentreer mij nu op de maatregelen. Wat betreft het
opleggenvan maatregelen in het algemeen kan worden gewezen op art. 9a Sr. Die bepaling biedt de rechter de ruimte in het vonnis te bepalen dat geen straf of maatregel wordt opgelegd indien hij dit raadzaam acht in verband met een aantal factoren, waaronder – en dit licht ik in verband met de voorliggende zaak uit – de omstandigheden waaronder het feit is begaan.Ik heb mij wel eens afgevraagd of art. 9a Sr niet is geschreven voor de hoofdprocedure en ‘vonnis’ in deze bepaling niet moet worden verstaan als uitspraak in de hoofdzaak. In dat geval zou art. 9a Sr niet zijn geschreven voor de ontnemingsprocedure en, nadat de uitspraak in de hoofdzaak is gedaan, voor de uit te spreken beslissing aangaande de oplegging van de ontnemingsmaatregel, waaronder ik hier mede de vaststelling van de betalingsverplichting versta. Bij gebreke van duidelijke contra-indicaties ga ik ervan uit dat art. 9a Sr ook op de ontnemingsmaatregel ziet. Dat de oplegging van de ontnemingsmaatregel niet in het hoofdvonnis tot uitdrukking komt en in een afzonderlijke ontnemingsprocedure in een uitspraak wordt vastgesteld, noopt naar mijn inzicht nog niet tot de conclusie dat de wetgever dus heeft bedoeld de ontnemingsmaatregel uit te sluiten van deze bepaling.Ik wijs daarvoor ook op de memorie van toelichting bij de wet tot invoering van art. 9a Sr. In die memorie van toelichting wordt opgemerkt dat “het woord maatregel voor het volwassenenstrafrecht zonder betekenis [is], omdat voor geen enkele strafrechtelijke maatregel geldt, dat zij in bepaalde gevallen
moetworden opgelegd.”En even daarna volgt deze passage: “Daar komt bij dat de woorden «of maatregel» voor het volwassenenstrafrecht weliswaar niet noodzakelijk zijn, maar wel bijdragen tot duidelijkheid.”Naar het mij voorkomt is art. 9a Sr – waarin dus de factoren worden genoemd die kunnen worden betrokken bij de afweging of wel of niet van oplegging van een maatregel wordt afgezien – ook van betekenis voor de ontnemingsmaatregel en heeft dit artikel ook in die zin een meerwaarde in ons sanctiestelsel.
42. Ook als over dit laatste anders moet worden gedacht, blijkt niettemin uit art. 36e, eerste lid, Sr dat oplegging van de ontnemingsmaatregel, ook al strekt de vordering van het openbaar ministerie daartoe, niet dwingend is voorgeschreven, maar integendeel in facultatieve zin is te verstaan: “Op vordering van het openbaar ministerie
kan(cursivering van mij, A-G) bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel”. En art. 511e sub a Sv zegt in zoveel woorden: de rechtbank beraadslaagt “naar aanleiding van de vordering en van het onderzoek ter terechtzitting over de vraag of de in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht bedoelde maatregel moet worden opgelegd en zo ja, op welk bedrag de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel is te schatten”. Niet blijkt uit de wetsgeschiedenis welke gevallen zich ertoe lenen om ondanks de vordering van het openbaar ministerie (toch) geen ontnemingsmaatregel op te leggen.Kennelijk hangt dit af van de feiten en omstandigheden van het concrete geval en heeft de wetgever het oordeel daarover aan de rechter willen overlaten.
43. Nu zegt de grote vrijheid die de rechter heeft bij het
opleggenvan de sanctie nog niet (direct) iets over de
toemetingsvrijheid met betrekking tot de sanctie die wordt opgelegd.Wel zou uit art. 9a Sr indirect kunnen worden afgeleid dat de in die bepaling genoemde – algemene – factoren ook in de sanctietoemeting kunnen worden betrokken.In welke mate deze omstandigheden van belang zijn bij het bepalen van de duur of omvang van een maatregel is natuurlijk afhankelijk van de aard van de maatregel en, zoals hiervoor opgemerkt, van de concrete situatie. De meest sturende factor lijkt mij evenwel het beoogde doel van de betreffende maatregel te zijn.In het algemeen is de grondslag van de strafrechtelijke maatregelen hoofdzakelijk gelegen in beveiliging of in herstel van de rechtmatige toestand. Met dit gegeven voor ogen is zeker wat betreft een herstelmaatregel als de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel (als bedoeld in art. 36e Sr) het kader bij de vaststelling van de omvang van de maatregel in beginsel bepaald. Dat vertrekpunt is gelegen in het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel.
Het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel
44. Met de ontnemingsmaatregel, die normatief-reparatoir van aard is, wordt herstel van de rechtmatige toestand in financiële zin beoogd. Dat betekent in beginsel dat het financiële voordeel wordt ontnomen dat de betrokkene met het begaan van het strafbare feit wederrechtelijk heeft verkregen, zodat hij in zekere zin weer in de financiële positie terugkeert waarin hij voorafgaand aan het begaan van de wetsovertreding verkeerde. In dit reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel ligt als algemeen uitgangspunt besloten dat het ontnemingsvoordeel wordt bepaald aan de hand van het voordeel dat de betrokkene in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald.Aan dat uitgangspunt zitten twee kanten. Enerzijds mag de betrokkene door het opleggen van de ontnemingsmaatregel niet in zijn financiële positie benadeeld worden: leedtoevoeging wordt met de maatregel niet beoogd.Het is immers de bedoeling van de wetgever dat door oplegging van de ontnemingsmaatregel de rechtmatige toestand in geldelijke zin wordt hersteld doordat de betrokkene wordt ontnomen wat hem rechtens niet toekomt.Maar dit betekent tevens en anderzijds dat de betrokkene er ook niet beter van mag worden; anders zou misdaad lonen. Bij de vraag of er ruimte voor matiging is, dient de feitenrechter het rechts- en tegelijkertijd reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel niet uit het oog te verliezen. In zoverre is zijn speelveld beperkt.Het financieel rechtsherstel staat bij de ontnemingsmaatregel voorop.
45. In zijn noot onder het hierna te bespreken arrest van HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:860,NJ2014/363 komt Borgers wat betreft het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel nog tot de volgende analyse: “Dat met de ontnemingsmaatregel als sanctie rechtsherstel wordt nagestreefd, betekent niet
eo ipsodat het onverkort opleggen van een ontnemingsmaatregel in het concrete geval ook steeds een rechtvaardige en zinvolle strafrechtelijke reactie oplevert. Zoals altijd, komt het in het recht aan op het afwegen van onderling tegenstrijdige belangen en het bereiken van het juiste evenwicht tussen die belangen. Natuurlijk kan men over de vraag wanneer het juiste evenwicht wordt bereikt, van mening verschillen. Maar dat is iets anders dan het negeren of juist verabsoluteren van bepaalde belangen. Met het rechtsherstel dat met de ontnemingsmaatregel wordt nagestreefd, is het niet anders. Er zijn sterke argumenten waarom dat rechtsherstel moet worden bewerkstelligd en waarom dus een ontnemingsmaatregel wordt opgelegd ter hoogte van het daadwerkelijk verkregen voordeel. Maar dat neemt niet weg dat zich soms goede redenen voordoen op grond waarvan dat rechtsherstel geheel of gedeeltelijk moet wijken. Het recht – in de brede zin van de rechtsbeginselen, de wet, de wetsgeschiedenis, de rechtspraak en de dogmatiek – biedt geen steun voor de opvatting dat in relatie tot de ontnemingsmaatregel het zou gaan om een niets en niemand ontziend streven naar rechtsherstel. Integendeel, de bevoegdheid van de rechter om de betalingsverplichting te matigen moet juist worden gezien als middel om het beoogde rechtsherstel af te stemmen op de (andere) in het geding zijnde belangen (vgl. ook
De ontnemingsmaatregel, Den Haag: BJu 2001, p. 103-106, 431-433).”
46. Deze gedachtegang van Borgers kan ik goed volgen. Met hem meen ik dat het opleggen van de ontnemingsmaatregel
in abstractopassend is in het geval waarin door het begaan van een strafbaar feit financieel voordeel is behaald om dat rechtsherstel zo dicht mogelijk te naderen,maar dat dit onverlet laat dat de rechter telkens kritisch moet onderzoeken of het opleggen van een ontnemingsmaatregel in het concrete geval niet alleen een doelmatige, maar ook een rechtvaardige en zinvolle strafrechtelijke reactie is en voorts of de omvang van de betalingsverplichting recht doet aan de toegepaste ‘toemetingsfactoren’.In het verband van dat laatste laat zich de eventuele matiging van het vastgestelde bedrag zich plaatsen. Daarover nu meer.
Grenzen aan de matigingsbevoegdheid van art. 36e, vijfde lid, Sr? (eerste deel van de probleemstelling)
47. Uit de tekst van art. 36e, vijfde lid, Sr valt uit het werkwoord “kan” af te leiden dat de ontnemingsrechter een facultatieve bevoegdheid heeft tot matiging van de betalingsverplichting. Een grammaticale interpretatie van 36e, vijfde lid, Sr verzet zich niet tegen het aannemen van een ‘algemene matigingsbevoegdheid’. Daarmee wordt bedoeld dat het grammaticaal gezien niet uitgesloten is dat onder omstandigheden ook niet-financiële factoren aan matiging ten grondslag kunnen worden gelegd. Voor het overige zijn aan die bepaling zelf geen aanwijzingen te ontlenen die ons ten aanzien van het toepassingsbereik van de matigingsbevoegdheid verder kunnen helpen, en hetzelfde geldt voor haar wetsgeschiedenis die zich op dit onderdeelvrijwel geheel concentreert op de draagkracht. Om hiervan een indruk te geven, citeer ik enkele passages uit de memorie van toelichting:
“
5.4. De bevoegdheid van de rechter tot matiging van het te betalen bedrag
In het voorliggende wetsvoorstel wordt de matigingsbevoegdheid van de rechter op nieuwe leest geschoeid. Veel van de ontnemingsrechtspraak is gewijd aan de kwestie van de draagkracht van de veroordeelde en de wijze waarop de rechter in dit verband de matigingsbevoegdheid van artikel 36e, vierde lid, laatste volzin Sr toepast. De Hoge Raad heeft bij zijn beslissing van 10 november 1998 (
JOW1999/6) geoordeeld dat de gegevens omtrent de huidige en redelijkerwijs te verwachten toekomstige draagkracht van de veroordeelde van belang kunnen zijn voor de vaststelling door de rechter van het door de veroordeelde te betalen bedrag. De rechter dient in het geval dat aannemelijk is dat de veroordeelde geen draagkracht heeft en naar redelijke verwachting ook in de toekomst niet zal hebben, gebruik te maken van zijn bevoegdheid ingevolge art. 36e, vierde lid, laatste volzin. De reden daarvoor is door de Hoge Raad genoemd in zijn beslissing van 7 mei 1996 (
NJ1997/404). In die beslissing memoreert de Hoge Raad eerst de matigingsmogelijkheden.
In de eerste plaats is dat de bevoegdheid van de rechter overeenkomstig artikel 36e, vierde lid, laatste volzin, het te betalen bedrag lager vast te stellen dan het geschatte voordeel. Voorts geeft artikel 577b, tweede lid, Sv de rechter, nadat de maatregel van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel is opgelegd, de bevoegdheid het bedrag en de vervangende hechtenis te verminderen of kwijt te schelden. De beperking daarbij is evenwel dat die bevoegdheid alleen mag worden gehanteerd op grond van omstandigheden die zich na de uitspraak hebben voorgedaan, of die ten tijde daarvan niet, of niet volledig, aan de rechter bekend waren (artikel 577b, vierde lid).
[…]
Met de voorgestelde wijziging van artikel 36e, vierde lid, is beoogd bij het oordeel over de draagkracht van betrokkene niet op de omstandigheden vooruit te lopen. Uitsluitend in die gevallen waarin vooraf al vaststaat dat de betrokkene een eventueel op te leggen bedrag in de toekomst niet zal kunnen betalen, zou de rechter, om later dubbel werk te voorkomen, gebruik kunnen maken van zijn matigingsbevoegdheid. Uit het oogpunt van proceseconomie heeft het in een dergelijk geval geen zin de rechter achteraf nogmaals te laten constateren hetgeen hij vooraf al kon voorzien. Daarvoor is wel nodig dat de betrokkene een beroep doet op afwezigheid van draagkracht. Hij zal voorts alles aan moeten voeren hetgeen van belang kan zijn om zijn beroep op matiging te ondersteunen. Dit is ook redelijk, omdat betrokkene immers het beste op de hoogte is van de hem betreffende omstandigheden die hem voor matiging in aanmerking brengen. Voorts is dit redelijk, omdat de matiging ten faveure van de betrokkene geschiedt. Voor uitzonderlijke gevallen (bij voorbeeld als de betrokkene heeft afgezien van rechtsbijstand of als hij geen enkel inzicht in zijn financiële situatie heeft) is opgenomen dat de rechter ambtshalve of op vordering van de officier van justitie van zijn matigingsbevoegdheid gebruik kan maken. Voordeel voor de staat is dat dit de kosten en de moeite bespaart van verder onderzoek naar de financiële positie van de veroordeelde.
[…]
Uit het voorgaande volgt dat niet zonder meer tot codificatie van het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad is overgegaan. De rechter zal zich eerst een oordeel moeten vormen over de gegrondheid van het verzoek tot matiging c.q. het beroep op betalingsonmacht, voordat hij komt tot de vaststelling van de hoogte van het te betalen bedrag. Niet in alle gevallen waarin een beroep op verminderde draagkracht wordt gedaan, zal de rechter zo’n beroep moeten honoreren. Daarom is dit onderdeel als een bevoegdheid en niet als een aanwijzing geformuleerd.”
48. Een beperkte draagkracht vormt hier echter niet de enige matigingsgrond. Dat blijkt uit HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:860,NJ2014/363, m.nt. Borgers. De opvatting dat de matigingsbevoegdheid van de rechter "enkel in relatie tot beperkte draagkracht kan worden toegepast" vindt geen steun in de tekst en de wetsgeschiedenis van art. 36e, vijfde lid, Sr, aldus de Hoge Raad. Grenzen tot waar de matigingsbevoegdheid reikt of voorbeelden van andere ‘matigingsfactoren’ worden in het arrest niet genoemd, en over de vraag of ook niet-financiële factoren daartoe kunnen bijdragen, valt aan de hand van dit arrest niet iets zinnigs te zeggen. Dat neemt niet weg dat in ieder geval één naar zijn aard niet-financiële factor tot matiging (of in dit verband wellicht zuiverder vermindering) van de betalingsverplichting kan, en onder omstandigheden zelfs moet, leiden en dat is een (relevante) overschrijding van de redelijke termijn. Matiging op die grond staat niet in de weg aan het karakter van de ontnemingsmaatregel. De argumenten daarvoor zijn gelegen in de gangbare praktijk die tot uitdrukking wordt gebracht in de rechtspraak van de Hoge Raad en de omstandigheid dat de ontnemingsmaatregel naar Europees recht wordt aangemerkt als een ‘penalty’. In dat opzicht volgde de Hoge Raad in het arrest van 11 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:296,NJ2014/135 de conclusie van voormalig A-G Bleichrodt, meer in het bijzonder voor zover het de volgende passage betreft: “Het hof overweegt […] dat het karakter van de ontnemingsmaatregel (herstel van de rechtmatige toestand in financiële zin zonder dat het toevoegen/toebrengen van leed is beoogd) zich moeilijk verhoudt met het reduceren van de betalingsverplichting ten gevolge van enig tijdsverloop. Het hof miskent daarmee bestendige rechtspraak van de Hoge Raad, waaruit volgt dat overschrijding van de redelijke termijn in ontnemingszaken in de regel wordt gecompenseerd door vermindering van het ontnemingsbedrag dat zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. Het belang te voorkomen dat de betrokkene langer dan redelijk is onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging zou moeten leven, geldt ook voor ontnemingszaken. Daarbij merk ik nog op dat de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel naar nationaal recht weliswaar als maatregel is gerubriceerd, maar volgens het EHRM wel een ‘penalty’ in de zin van het verdrag inhoudt. Het oordeel van het hof dat het karakter van de ontnemingsmaatregel zich moeilijk verhoudt met het matigen van de betalingsverplichting geeft dan ook blijk van een onjuiste rechtsopvatting.”
49. Met de laatstgenoemde uitspraak is dus uitgemaakt dat het normatief-reparatoire en op financieel rechtsherstel gerichte karakter van de ontnemingsmaatregel niet wordt aangetast als vanwege een schending van de redelijke termijn de betalingsverplichting wordt gematigd. De matiging is hier gerechtvaardigd omdat in de gevallen waarin het vastgestelde bedrag pleegt te worden verminderd sprake is van een schending van een zwaarwegend(er) belang, te weten het recht op berechting binnen een redelijke termijn.Dat betekent niet dat de ontnemingsrechter in dit verband de mate van vermindering lukraak kan bepalen. De Hoge Raad hanteert zelf alsfeitenrechter– dat wil zeggen wanneer de redelijke termijn (mede) als gevolg van het tijdsverloop ná de uitspraak waartegen beroep in cassatie is ingesteld wordt overgeschreden (de Hoge Raad oordeelt dan in volle omvang over de overschrijding) – in ontnemingszaken zelf als vuistregel dat de vermindering in beginsel niet meer dan € 5000,- bedraagt. Ik verwijs daarvoor naar HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578,NJ2008/358, m.nt. Mevis, in welk arrest de Hoge Raad de eerdere regels inzake overschrijding van de redelijke termijn heeft herijkt. Overigens, als ook in de met de ontnemingszaak samenhangende strafzaak de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden, zal de compensatie tot welke de overschrijding van de redelijke termijn moet leiden worden toegepast in de hoofdzaak en is er geen aanleiding om in de ontnemingszaak aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden; de Hoge Raad zal dan met dat oordeel volstaan.Hier belangrijker is dat de Hoge Raad in het voormelde arrest van 17 juni 2008 ook zegt, weliswaar nog onder het hoofd “Toetsing door de Hoge Raad als feitenrechter”, dat “vermindering van de straf onderscheidenlijk het ontnemingsbedrag afhankelijk [is] van de mate waarin de redelijke termijn is overschreden.” Niet valt in te zien waarom dit voor de feitenrechtspraak anders zou (moeten) zijn. De feitenrechter volgt trouwens in de praktijk vaak de uitgangspunten die de Hoge Raad zelf als feitenrechter toepast. Daarbij moet ook niet uit het oog worden verloren dat, indien het cassatiemiddel daartoe aanleiding geeft, de Hoge Raad alscassatierechterkan onderzoeken of het oordeel van de feitenrechter inzake de redelijke termijn niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigt en niet onbegrijpelijk is in het licht van de omstandigheden van het geval.In dit verband overweegt de Hoge Raad (in het arrest van 17 juni 2008) dat van onbegrijpelijkheid niet licht sprake zal zijn omdat een dergelijk oordeel sterk verweven pleegt te zijn met waarderingen van feitelijke aard die zich onttrekken aan een beoordeling door de cassatierechter. In dat opzicht lijkt de Hoge Raad de feitenrechter in beginsel vrij te laten in de toepassing van de ‘kortingspercentages’, maar dat neemt dus niet weg dat wel een begrijpelijkheidstoets in cassatie gereed ligt. De toets in cassatie kan er toe leiden dat de bestreden uitspraak wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vernietigd en de Hoge Raad (om doelmatigheidsredenen) het te betalen ontnemingsbedrag zelf vermindert. Een voorbeeld daarvan is te vinden in HR 21 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:3032. De opvatting van het hof in die zaak dat als "maatstaf voor de vergoeding van immateriële schade" ten gevolge van overschrijding van de redelijke termijn heeft te gelden dat bij ontnemingszaken de betalingsverplichting wordt verminderd met een standaard bedrag van "€ 500,00 per halfjaar voor overschrijding van de termijn als geheel", kan niet als juist worden aanvaard. 50. Het geheel overziende lijkt het mij niet wenselijk de matigingsbevoegdheid, dat wil zeggen de vrijheid die de ontnemingsrechter te dien aanzien heeft – zolang hij binnen de daarvoor getrokken grenzen blijft – te beperken door op voorhand geheel uit te sluiten dat ook andere dan op geld waardeerbare factoren worden meegewogen. Het betreft hier als gezegd de niet-financiële factoren, factoren die in zichzelf niet dragend zijn voor herstel van de financiële balans maar wel aanleiding voor matiging kunnen zijn. Deze opvatting brengt mee dat ook voor niet normatief-reparatoire factoren een plaats is weggelegd in het toepassingsbereik van art. 36e, vijfde lid derde volzin, Sr. Matiging (vermindering) van de betalingsverplichting wegens overschrijding van de redelijke termijn is daarvan een voorbeeld. Juist bij het vaststellen van de betalingsverplichting, dus nádat het wederrechtelijk verkregen voordeel is vastgesteld, kunnen dergelijke omstandigheden worden betrokken. Het ligt in dat geval wel in de rede dat de ontnemingsrechter motiveert op welke grond wordt gematigd en hoe de concrete omvang van de matiging tot stand is gekomen.
Grenzen aan de matigingsbevoegdheid van art. 36e, vijfde lid, Sr? (tweede deel van de probleemstelling)
51. Zoals ik hiervoor al schreef is volgens het openbaar ministerie de matiging van 50% uit de lucht komen vallen en heb ik zijn standpunt daarover opgevat als een beroep op het zogenoemde verbazingscriterium.Onder dat criterium vallen doorgaans gevallen waarin de straf tegen de achtergrond van het bewezenverklaarde feit en de ter terechtzitting naar voren gekomen feiten en omstandigheden verbazing oproept. Vanwege dit effect is in zo een geval een extra motivering van de rechter vereist.Het criterium is onlangs door de Hoge Raad ook gehanteerd in een zaak over de oplegging van de tbs-maatregel.Daaruit kan worden afgeleid dat de Hoge Raad het verbazingscriterium niet alleen voor de strafoplegging reserveert. Wel is het zo, dat het in die zaak om de
opleggingvan de TBS-maatregel ging, maar er lijkt mij geen bezwaar tegen om in voorkomende gevallen het verbazingscriterium bij een strafrechtelijke maatregel een bredere werking te geven, zoals dat ook bij de strafoplegging het geval is: niet alleen de aard van de opgelegde straf, maar juist en vooral ook de duur van de opgelegde straf kan verbazing wekken. Toegespitst op de ontnemingsmaatregel bedoel ik daarmee te zeggen dat de oplegging ervan op zich niet tot verbazing hoeft te wekken (in de regel zal dat niet het geval zijn), maar mogelijk wel de omvang van de uiteindelijke betalingsverplichting ten opzichte van het wederrechtelijk verkregen voordeel dat is vastgesteld, anders gezegd de omvang van de matiging die door de rechter is bepaald. Is de matiging ingegeven door factoren van evident financiële aard, dan zal de rechter elke grond voor verbazing kunnen wegnemen door met behulp van een heldere uiteenzetting, bijvoorbeeld een berekening, inzichtelijk te maken hoe de (omvang van de) matiging tot stand is gekomen. In geval van factoren die niet eenvoudig op geld zijn te waarderen (de niet-financiële factoren) zal het inzichtelijk maken mogelijk lastig zijn. Maar dat mag, ook gelet op het normatief-reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel, de rechter er niet van weerhouden zijn beslissing ook ten aanzien van de omvang van de matiging begrijpelijk te motiveren.
De bespreking van het middel
52. Terug naar de voorliggende zaak. Vooreerst roep ik in herinnering – het is bij de bespreking van het tweede namens de betrokkene voorgestelde middel reeds ter sprake gekomen – dat het discutabele handelen van de overheid er niet aan de weg heeft gestaan dat aan de betrokkene een ontnemingsmaatregel met betalingsverplichting is opgelegd. Daarover wordt door het openbaar ministerie (uiteraard) niet geklaagd.
53. Het handelen van de overheid was niet zó discutabel dat het moest leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging. Als dat wel het geval was geweest dan was oplegging van een ontnemingsmaatregel niet in beeld gekomen. Wel is het discutabele handelen van de overheid door het hof bij de matiging en de omvang daarvan betrokken.
54. Op grond van hetgeen ik in de randnummers 41 tot en met 50 heb uiteengezet, meen ik dat er voor het hof geen beletsel bestond om het ‘discutabele handelen’ van de overheid als niet-financiële factor bij de matiging te betrekken. Naar het mij voorkomt is het hof daarmee binnen de door wet en rechtspraak gestelde grenzen gebleven en stond het hem dus vrij deze factor van belang te achten en daarmee rekening te houden bij de, ten opzichte van het geschatte voordeel, lagere vaststelling van het te betalen bedrag. Het hof heeft dit ook gemotiveerd met de overweging dat “niet te ontkennen [valt] dat onverkorte toepassing van de 'Black-Widow maatstaf' in de onderhavige zaak onbillijk jegens [betrokkene 1] en [betrokkene] uitpakt als wordt gekeken naar de aard en ernst van de overtreden strafbepalingen en naar de omstandigheden waaronder deze zijn overtreden” (zie randnummer 10, laatste alinea in het citaat). Daarnaast heeft het hof – het is hiervoor meermalen opgemerkt – in zijn motivering van de matiging verwezen naar de desbetreffende overwegingen van de rechtbank in deze ontnemingszaak en de overwegingen van het gerechtshof 's-Hertogenbosch in de strafzaak en het in dat licht redelijk geacht om het te ontnemen bedrag aanzienlijk lager vast te stellen dan het geschatte voordeel.
55. Dàt het hof het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel is geschat, heeft gematigd op de door het hof genoemde gronden, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl ik deze beslissing ook niet onbegrijpelijk acht.Daarbij neem ik in aanmerking dat het hof heeft vastgesteld dat de overheid indirect een belangrijke faciliterende rol heeft gehad bij het genereren van de miljoenenwinst van de coffeeshop, waardoor het feit dat de winst deze omvang heeft bereikt, en heeft kunnen bereiken, niet alleen op het conto van [betrokkene] en [betrokkene 1] is te schrijven.
56. Voor zover het middel daarover klaagt, faalt het.
57. Wat echter de
omvangvan de matiging in deze zaak betreft, ligt dat volgens mij anders. Uit het bestreden arrest blijkt niet dat het percentage waarmee is gematigd van een nadere motivering is voorzien. De matiging met maar liefst 50% van een fors miljoenenbedrag (€ 15.613.500,-) roept naar het mij toeschijnt verbazing op. Ik meen daarom dat hier een extra motivering, die ontbreekt, vereist was.Mogelijk heeft het hof de gulden middenweg willen kiezen en is het tussen de twee uitersten gaan zitten: nihil stelling (verzocht door de verdediging) aan de ene kant en het volle pond (gevorderd door het openbaar ministerie) aan de andere kant, maar dit is niet meer dan speculeren. Denkbaar is ook dat het hof met zijn overweging over de discutabele rol van de overheid (waaronder mede het openbaar ministerie begrepen) – die volgens het hof immers is gelegen in haar faciliterende rol en in haar handelen dat “ertoe heeft geleid dat de exploitatie van de coffeeshop zich kon ontwikkelen tot een dermate grote omvang dat de hierboven vastgestelde grote winsten konden worden gegenereerd – niet alleen de grondslag voor zijn beslissing tot matiging heeft willen leggen, maar daarnaast ook voor de omvang van de matiging. Ook dan had het echter, bij de enorme bedragen waar het in deze zaak om gaat, voor de hand gelegen dat het hof (eventueel schattenderwijs, maar ook dan zoveel mogelijk gefundeerd en gedocumenteerd) inzichtelijk had gemaakt wat de hoogte van het voordeel voor de betrokkene zou zijn geweest wanneer die faciliterende rol van de overheid niet in het geding was geweest. Zelfs dan was, denk ik, een navenante matiging nog wel in overeenstemming te brengen met het normatief-reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel.
58. Nu echter onduidelijk is hoe (en waarom) het hof juist tot het door hem toegepaste kortingspercentage is gekomen, is de beslissing van het hof op dat punt niet (zonder meer) begrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd om de redenen die ik hierboven heb genoemd.
59. Mitsdien slaagt het middel op dit onderdeel.