Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede en het derde middel
4.Slotsom
5.Beslissing
5 april 2016.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof had vastgesteld dat de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak in eerste aanleg en hoger beroep was overschreden en had de betalingsverplichting verminderd met een bedrag dat rekening hield met rentevoordelen die de betrokkene had genoten.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof een onjuiste rechtsopvatting heeft gehanteerd door het rentevoordeel mee te nemen in de vermindering van de betalingsverplichting. De redelijke termijn was inderdaad overschreden, maar de vermindering van de betalingsverplichting wegens deze overschrijding mag in ontnemingszaken in beginsel niet meer bedragen dan € 5.000.
De Hoge Raad vernietigt daarom het deel van het arrest dat de hoogte van de betalingsverplichting betreft, vermindert het te betalen bedrag met € 5.000 en verwerpt het beroep voor het overige. Hiermee wordt een uniform uitgangspunt bevestigd voor de vergoeding van immateriële schade door overschrijding van de redelijke termijn in ontnemingszaken.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de betalingsverplichting wegens overschrijding van de redelijke termijn met € 5.000 en verwerpt het beroep voor het overige.