ECLI:NL:HR:1998:ZD0947
Hoge Raad
- Cassatie
- Hermans
- Corstens
- Aaftink
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel zonder aftrek belasting
In deze zaak stond een cassatieberoep centraal tegen een arrest van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch waarin aan verdachte ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel werd opgelegd. Het hof had een bedrag van 86.910 gulden vastgesteld als netto voordeel uit drugshandel en voorbereidingshandelingen.
De Hoge Raad bevestigde dat de strafrechter bij de bepaling van het te ontnemen bedrag geen rekening hoeft te houden met belastingheffing over het voordeel. Dit volgt uit de wetsgeschiedenis van artikel 36e Sr en het fiscale mechanisme waarbij belastingheffing en ontneming elkaar in principe neutraliseren.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof het voordeel terecht aan de bewezenverklaarde feiten heeft gerelateerd en dat het fiscale argument van de verdachte niet tot een andere uitkomst leidt. Het cassatieberoep werd verworpen omdat geen onjuiste rechtsopvatting of onbegrijpelijkheid werd vastgesteld.
Het arrest bevestigt de systematiek dat ontneming bruto wordt vastgesteld, zonder aftrek van belasting, om te voorkomen dat veroordeelden alsnog voordeel behouden door fiscale restituties. De Hoge Raad benadrukt dat de fiscus zijn eigen heffingsbevoegdheden behoudt, los van strafrechtelijke procedures.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het hofarrest bevestigd waarin ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zonder aftrek van belasting is opgelegd.