Conclusie
1.Feiten
“Bekend was dat werknemer zich in staat acht het eigen werk op termijn te hervatten, dat de bedrijfsarts begin juni 2015 haar opbouwschema in grote lijnen steunde (…) en dat zij onvoldoende medewerking van haar manager ervaart. Bepalend bij mijn advies is geweest de FML d.d. 22-06-2015 en het spreekuuradvies d.d. 06-07-2015.”
2.Procesverloop
3.Juridisch kader van het principale cassatieberoep
Onderdeel A1voert aan dat het oordeel van het hof dat geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van Cicero Zorggroep, blijk geeft van een onjuiste uitleg van het begrip ‘ernstige verwijtbaarheid’ als bedoeld in art. 7:682 lid Pro 1, aanhef en onder c, BW, dan wel dat het hof het partijdebat heeft verlaten door te overwegen dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding tussen Werkneemster en Manager A (verzoekschrift tot cassatie onder 1.10.5). Volgens
onderdeel A2is de beslissing van het hof dat geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen onvoldoende begrijpelijk, omdat het hof ten onrechte de stellingen van Werkneemster met betrekking tot het laakbaar handelen door Cicero Zorggroep niet heeft beoordeeld. Volgens
onderdeel A3is het oordeel van het hof rechtens onjuist en onbegrijpelijk, omdat het hof ten onrechte een aantal stellingen en verwijten van Werkneemster niet heeft meegenomen in zijn beslissing. Ten slotte wordt in
onderdeel Bgeklaagd dat het hof ten onrechte het bewijsaanbod van Werkneemster heeft gepasseerd.
Als de werkgever toestemming heeft en opzegt gebruikmakend van de toestemming van UWV of de commissie, bedoeld in artikel 7:671a, tweede lid, BW kan de werknemer als hij van oordeel is dat de toestemming ten onrechte is verleend, de rechter verzoeken om de werkgever te verplichten de arbeidsovereenkomst te herstellen, zo volgt uit het eerste lid, onderdeel a. (…)Het eerste lid, onderdeel c, regelt dat de rechter, als er sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever waardoor de werknemer langdurig ziek is geworden, aan de werknemer op diens verzoek in plaats van herstel een billijke vergoeding kan toekennen.”
als gevolg vanernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Dit is echter niet het geval, zo blijkt uit de memorie van antwoord.
opzeggingwegens langdurige arbeidsongeschiktheid het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Dat kan zich voordoen – bijvoorbeeld, zo staat er – als de werkgever zijn re-integratieverplichtingen ernstig heeft veronachtzaamd.
als er als gevolg van laakbaar gedrag van de werkgever een verstoorde arbeidsrelatie is ontstaan (bijvoorbeeld als gevolg van het niet willen ingaan op avances zijnerzijds) en de rechter concludeert dat er geen andere optie is dan ontslag;
als een werkgever discrimineert, de werknemer hiertegen bezwaar maakt, er een onwerkbare situatie ontstaat en niets anders rest dan ontslag;
als een werkgever grovelijk de verplichtingen niet nakomt die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst en er als gevolg daarvan een verstoorde arbeidsverhouding ontstaat. Te denken is hierbij aan de situatie waarin de werkgever zijn re-integratieverplichtingen bij ziekte ernstig heeft veronachtzaamd;
de situatie waarin de werkgever een valse grond voor ontslag aanvoert met als enig oogmerk een onwerkbare situatie te creëren en ontslag langs die weg te realiseren;
de situatie waarin een werknemer arbeidsongeschikt is geworden (en uiteindelijk wordt ontslagen) als gevolg van verwijtbaar onvoldoende zorg van de werkgever voor de arbeidsomstandigheden;
ernstigheeft veronachtzaamd.
5.13 Vervolgens heeft [verzoeker] zich beroepen op de beslissing op bezwaar van het UWV van 25 juli 2017 (rov. 3.23) dat [...] te kort is geschoten in de re-integratiefase. Het hof overweegt dat uit deze beslissing volgt dat volgens het UWV de re-integratie inspanningen van [...] in spoor 1 inhoudelijk onvoldoende zijn geweest en dat [...] te laat het tweede spoor (het zoeken van passend werk voor [verzoeker] buiten [...] ) heeft ingezet. Het hof onderschrijft het onder rov. 4.3 samengevatte oordeel van de kantonrechter dat het re-integratietraject weliswaar beter had gekund, maar dat het aan [...] gemaakte verwijt niet kan worden aangemerkt als een ernstig verwijt of nalaten in de zin van artikel 7:682 BW Pro. Daarvoor is redengevend dat [verzoeker] onvoldoende heeft gesteld om te kunnen oordelen dat [...] haar re-integratie verplichtingen in spoor 1 ernstig heeft veronachtzaamd en dat het te laat inzetten van het tweede spoor deels is gecompenseerd doordat [...] het tweede spoor (als onderdeel van het re-integratietraject) niet heeft stopgezet aan het einde van de twee jaarstermijn van de verplichte loondoorbetaling, maar daarna nog enige maanden heeft gecontinueerd, terwijl verder [...] gedurende het traject alle aanwijzingen van het UWV heeft opgevolgd.”
4.19. Het enkele feit dat het UWV een loonsanctie aan [...] heeft opgelegd, is weliswaar een indicatie dat de re-integratieverplichtingen niet goed zouden zijn nagekomen, maar het betekent niet zonder meer dat [...] haar verplichtingen ernstig veronachtzaamd heeft. In dit verband acht de kantonrechter mede van belang dat [...] om een deskundigenoordeel bij het UWV heeft gevraagd over haar re-integratie inspanningen en dat het UWV op 26 april 2016 heeft geoordeeld dat door [...] aan de verplichtingen werd voldaan. Toen [...] nogmaals om een deskundigenoordeel vroeg, heeft het UWV dat afgehouden omdat zij reeds drie keer een deskundigenoordeel had afgegeven. Pas daarna heeft het UWV de voormelde loonsanctie van december 2016 opgelegd. Overigens heeft [werknemer] ter zitting verklaard dat hij in januari 2017 tegen de opgelegde loonsanctie bezwaar heeft gemaakt, kennelijk met het doel om te kunnen re-integreren in spoor 1 in plaats van spoor 2, zodat het de vraag is of de opgelegde loonsanctie in stand blijft. Verder is van belang dat – zo er al sprake zou zijn van het niet nakomen van de re-integratie verplichtingen door [...] – ook [werknemer] in dat verband het nodige te verwijten valt gelet op zijn houding gedurende het re-integratietraject, zoals ook blijkt uit hetgeen hiervoor met betrekking tot zijn ambities, de mediation en bemiddeling door de re-integratiebureaus is overwogen, zodat niet kan worden gesteld dat [werknemer] daaraan part noch deel heeft gehad.
Woondroomzorg-beschikking heeft de Hoge Raad over deze hoge drempel voor ernstig verwijtbaar handelen of nalaten in de zin van art. 7:673 lid Pro 7, aanhef en onder c, BW (die grond is om de werknemer geen aanspraak op de transitievergoeding toe te kennen) het volgende overwogen: [12]
uitzonderlijke gevallen, waarin
evidentis dat het handelen of nalaten van de werknemer ernstig verwijtbaar is.
Woondroomzorg-beschikking heb ik uiteengezet dat uit de parlementaire geschiedenis met betrekking tot het begrip ‘ernstige verwijtbaarheid’ twee punten naar voren komen. [13] In de
eerste plaatsblijkt daaruit dat de rechter het begrip ‘ernstige verwijtbaarheid’ terughoudend moet toepassen en alleen in
duidelijke gevallenmoet aannemen dat hiervan sprake is. ‘Ernstige verwijtbaarheid’ moet namelijk een duidelijk criterium opleveren, zodat partijen zoveel mogelijk buiten de rechter om het ontslag kunnen regelen. Een té genuanceerd systeem met ‘
verschillende gradaties van verwijtbaarheid’ past daarbij niet. Het is daarom niet de bedoeling dat de rechter precies uitpluist in welke mate werkgever en werknemer over en weer schuld hebben aan het ontslag. Werknemer of werkgever (afhankelijk van de vraag om wiens ernstige verwijtbaarheid het gaat) moeten ‘fors de fout’ in zijn gegaan, zoals het door enkele Kamerleden werd uitgedrukt.
tweede plaatskomt uit de wetsgeschiedenis naar voren dat ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever en ernstig verwijtbaar handelen van de werknemer, twee kanten van dezelfde medaille zijn. Ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever leidt tot het verschuldigd zijn van de billijke vergoeding; ernstig verwijtbaar handelen van de werknemer leidt tot verval van de aanspraak op de transitievergoeding. Voor
beidesituaties ligt de lat hoog, en voor
beidesituaties geldt dat de rechter terughoudend moet zijn met zijn oordeel dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten. Zie hierover met name de volgende passage uit de memorie van antwoord (mijn onderstreping): [14]
verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer, nu in dat geval niet van werkgever kan worden gevergd een dergelijke vergoeding te betalen. Bij het lichtvaardig vervallen van een aanspraak op een transitievergoeding zouden werkgevers minder bereid kunnen zijn om tijdens de loopbaan te investeren in de werknemer, in zijn ontwikkeling, in zijn duurzame inzetbaarheid en wordt het met de transitievergoeding te bereiken doel niet bereikt. Zoals opgenomen op pagina 65 van de nota naar aanleiding van het verslag,meent de regering dat omwille van het vereenvoudigen van het ontslagrecht en het voorkomen van procedures hier een juiste keuze is gemaakt, die weliswaar mogelijk niet altijd het rechtsgevoel (aan beide zijden) bevredigt, maar wel de rechtszekerheid bevordert.”
Woondroomzorg-beschikking, die betrekking hebben op ernstig verwijtbaar handelen van de
werknemer, kunnen worden doorgetrokken naar de onderhavige situatie, waar het gaat om ernstig verwijtbaar handelen van de
werkgever. Ook bij ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever heeft dus te gelden dat de rechter het criterium met
terughoudendheidmoet toepassen, en dat de werkgever alleen in
uitzonderlijke gevalleneen billijke vergoeding verschuldigd is.
Woondroomzorg-beschikking heb ik ook melding gemaakt van het Sinzheimer-rapport, waarin de invulling die in de rechtspraktijk aan het criterium ‘ernstig verwijtbaarheid’ wordt gegeven, is geëvalueerd (volgens de toezegging van de regering, zie de passage uit de memorie van toelichting geciteerd onder 3.7). [15]
Een vierde (duidelijk in de wetsgeschiedenis genoemde) categorie is de ernstige schending van de re-integratieverplichtingen. Dit kan variëren van het nalaten van re-integratie-inspanningen tot het omgekeerde: de werknemer wordt op een onaanvaardbare wijze onder druk gezet in het kader van de re-integratie. Ook hier geldt dat de enkele omstandigheid dat de werkgever sommige dingen in het re-integratietraject anders had kunnen aanpakken, niet genoeg is om tot het oordeel ernstig verwijtbaar handelen of nalaten te komen. De rechter kijkt hierbij ook naar de rol van de werknemer zelf.”
er moet echt iets aan de hand zijn.” [17]
Woondroomzorg-beschikking van de Hoge Raad met betrekking tot ernstig verwijtbaar handelen van de
werknemer, kunnen derhalve worden doorgetrokken naar ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de
werkgever.
4.Bespreking van het principale cassatieberoep
dat desondanks de re-integratie een maand later toch van start is kunnen gaan.” Het hof trekt daaruit dan de volgende conclusie: “
Het hof concludeert hieruit dat de latere opzegging van het dienstverband niet het gevolg is geweest van de hiervoor omschreven handelwijze van Cicero”;
dat de verstoorde arbeidsrelatie tussen Werkneemster en Manager A daarvoor wel een obstakel [vormde]”. Na de constatering dat om te kunnen re-integreren op de eigen afdeling daarom eerst het arbeidsconflict tussen Werkneemster en Manager A diende te worden opgelost, overweegt het hof dan het volgende: “
Dat re-integratie van Werkneemster op haar eigen afdeling op dat moment niet mogelijk was, leidt in de gegeven omstandigheden derhalve niet tot de conclusie dat Cicero Zorggroep jegens Werkneemster ernstig verwijtbaar heeft gehandeld.” Met andere woorden, het hof weegt hier de ernst van het verwijt dat in rov. 3.14 is gemaakt aan Cicero Zorggroep, en concludeert dan dat geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen.
Waaromhet hof van oordeel is dat de aan Cicero Zorggroep terecht gemaakte verwijten geen ernstig verwijtbaar handelen of nalaten opleveren, bespreekt het hof ook uitvoerig: in rov. 3.10 weegt het hof het verwijt van rov. 3.6 en 3.9 en in rov. 3.15 weegt het hof het verwijt van rov. 3.14.
uitzonderlijkesituaties, waarin
evidentis dat de werkgever ernstig verwijtbaar heeft gehandeld of nagelaten.
afzonderlijkebespreking door het hof van de verwijten aan Cicero Zorggroep, als weergegeven onder punt 4.4, zich laat verklaren doordat het hof de gebeurtenissen in de periode tussen ziekmelding en ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid, in chronologische volgorde langsloopt (zie ook rov. 3.5, een na laatste zin). Het hof betrekt daarbij – terecht (zie onder 3.5-3.8) – dan steeds de vraag of de latere opzegging van het dienstverband (op 17 februari 2017) het
gevolgis geweest van de aan Cicero Zorggroep te maken verwijten, dus of het ontslag is
toe te rekenenaan Cicero Zorggroep. Bij ’s hofs oordeel dat ten aanzien van de verschillende verwijten dat níet het geval is, speelt het tijdsverloop tussen het moment van de desbetreffende tekortkoming van Cicero Zorggroep en de uiteindelijke opzegging, een grote rol; door dat tijdsverloop kan niet meer worden gezegd dat de uiteindelijke opzegging het gevolg is geweest van de desbetreffende tekortkoming. Het hof komt dan ook tot het oordeel dat geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten in de zin van de wet, omdat de gewraakte handelingen
niet hebben geleid tot de opzegging(zie met name rov. 3.10, tweede volzin, en rov. 3.12, laatste twee volzinnen).
Omstandigheid (c), het aanmerken van 7 oktober 2014 als eerste ziektedag, hangt rechtstreeks samen met het niet aanvaarden door Cicero Zorggroep van de door de partner gedane ziekmelding op 26 september 2014. Het hof is op dit verwijt uitgebreid ingegaan in rov. 3.6.
Voor omstandigheden (g) en (l), de opmerking van Manager A in het gesprek van 22 oktober 2015 ‘dat hij er klaar mee was’, en dat ‘Werkneemster beter ontslag kon nemen als zij geen vertrouwen meer had in Cicero’, [21] geldt het volgende. In rov. 3.10 overweegt het hof dat Werkneemster terecht kritiek heeft geuit op een aantal handelingen van Cicero Zorggroep (in de periode na ziekmelding), maar dat vast staat dat desondanks de re-integratie na vijf maanden (namelijk in februari 2016) toch van start is gegaan. Het hof concludeert hieruit dat de latere opzegging van het dienstverband niet het gevolg is geweest van de gewraakte handelwijze van Cicero Zorggroep. In dit oordeel ligt besloten dat óók als ervan wordt uitgegaan dat Manager A de bewuste opmerkingen heeft gemaakt op 22 oktober 2015, geldt dat dit niet heeft geleid tot de latere opzegging van het dienstverband, omdat
nadiengestart is met de re-integratie. Anders gezegd: het causaal verband tussen de gestelde opmerkingen en de opzegging ontbreekt. Dat brengt met zich mee dat niet is voldaan aan de vereisten voor toepassing van art. 7:682 lid Pro 1, aanhef en onder c, BW.
Indien Cicero enige stelling van Werkneemster mocht betwisten en het gerechtshof van oordeel mocht zijn dat de bewijslast terzake op Werkneemster rust, dan biedt zij hierbij ook aan die stelling te bewijzen. Meer specifiek biedt Werkneemster bewijs aan van onder andere maar niet uitsluitend van haar stellingen dat Cicero ernstig haar re-integratieverplichtingen heeft veronachtzaamd, zich onvoldoende heeft ingespannen om de arbeidsrelatie te verbeteren en onvoldoende zorg in acht heeft genomen voor de arbeidsomstandigheden, waardoor Werkneemster arbeidsongeschikt is geworden en uiteindelijk is ontslagen.
]
5.Juridisch kader van het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep
Subonderdeel 2.1.2houdt in dat het hof met zijn oordeel heeft miskend dat het opleggen van een loonsanctie door de werkgever, gebaseerd op art. 7:629 lid 3 BW Pro, pas in strijd is met het beginsel van goed werkgeverschap indien en voor zover het gebruik maken van deze wettelijke bevoegdheid in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, hetzij in strijd is met algemene rechtsbeginselen. Hiervan is in de onderhavige zaak geen sprake, althans het hof heeft onvoldoende gemotiveerd dat daarvan sprake is. Volgens
subonderdeel 2.1.3is het oordeel van het hof ook onjuist en onbegrijpelijk, omdat het hof het verweer van Cicero Zorggroep grotendeels onbesproken laat en van een onjuist, althans onvolledig feitencomplex uitgaat. Ten slotte houdt
subonderdeel 2.1.4in dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting uitgaat ten aanzien van de verplichtingen die rusten op een werkgever in het kader van de Wet verbetering poortwachter, zoals onder meer neergelegd in art. 7:629 lid 3 BW Pro. Althans treedt het hof met zijn oordeel buiten het debat van partijen, althans is zijn oordeel onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd.
lid 3BW heeft opgelegd. Dat klopt echter niet: de loonbetaling is op grond van art. 7:629
lid 6BW
opgeschort. Opschorting is een andere sanctie dan stopzetting van de loondoorbetaling op grond van lid 3 van art. 7:629 BW Pro (zie daarover nader onder 5.22 t/m 5.24). Dat het in het onderhavige geval gaat om opschorting van de loonbetaling, blijkt uit de brieven van Cicero Zorggroep aan Werkneemster van 6 februari 2015 en 11 februari 2015 (zie onder 1.9 en 1.10; prod. 31 verweerschrift en prod. 7 inleidend verzoekschrift).
Met de overgang van een collectief naar een privaatrechtelijke stelsel, zal de vraag naar controle en reïntegratie inderdaad meer op de voorgrond treden. (…)Het wetsvoorstel voorziet er daarom in dat aan de controle- en
Wat de controle betreft, houdt de voorgestelde regeling in dat de werkgever de loondoorbetaling mag opschorten als de werknemer zich niet houdt aan de door hem gegeven controlevoorschriften. De wet zegt niet wat die voorschriften precies mogen inhouden, maar brengt wel duidelijke beperkingen aan. De belangrijkste daarvan zijn dat de voorschriften ertoe moeten strekken de werkgever de inlichtingen te verschaffen die deze behoeft om vast te stellen of de werknemer recht op de loondoorbetaling heeft, en dat de voorschriften redelijk moeten zijn. De grens ligt derhalve daar, waar de inlichtingen die de werkgever wil verkrijgen, voor de loondoorbetalingsverplichting niet van onmiddellijk belang zijn. Hij zal daarom wel kunnen voorschrijven dat de werknemer meldt dat hij ziek is, maar niet dat de werknemer openbaart welke ziekte hij heeft.”
Dat de voorschriften redelijk moeten zijn, impliceert dat zij voor de werknemer niet onnodig belastend mogen zijn. Zo zal de werkgever kunnen verlangen dat hij voor het verstrekken van inlichtingen op gezette tijden thuis is of dat hij daartoe de werkgever of de door hem ingeschakelde arbo-dienst bezoekt. Een voorschrift dat de werknemer voortdurend aan huis bindt of dagelijkse controle gebiedt, zal in het algemeen echter geen redelijk doel dienen. Het stellen van zulke voorschriften laat de wet niet toe. De opzet van het wetsvoorstel is dat de werknemer die de controlevoorschriften niet naleeft, zijn aanspraak op loondoorbetaling niet zonder meer verspeelt. Voor de vraag of de werknemer recht op doorbetaling heeft, is bepalend of hij door ziekte zijn arbeid niet verrichten kan. Overtreding van controlevoorschriften kan slechts leiden tot het opschorten van de loonbetaling. Komt nadat de werkgever de betaling heeft gestaakt, vast te staan dat de werknemer ziek is – zo mogelijk doordat de werknemer en werkgever het geschil in der minne beslechten en anders in een procedure bij de rechter – dan moet het achterstallig loon alsnog worden betaald.”
De voorschriften die de werkgever vaststelt, kunnen zowel algemeen zijn, als toegespitst op het individuele geval. Het ligt voor de hand dat de hoofdlijnen in een regeling worden neergelegd. Afhankelijk van de omstandigheden kunnen dan ten aanzien van individuele gevallen specifieke aanvullende voorschriften worden gegeven. De wet somt niet op wat de controlevoorschriften mogen inhouden, maar stelt wel grenzen. De belangrijkste is dat de voorschriften erop gericht moeten zijn dat de werkgever de inlichtingen verkrijgt die hij nodig heeft om vast te stellen, of en zo ja in hoeverre de werknemer aanspraak op loondoorbetaling heeft. Het ligt voor de hand dat wordt bepaald dat de werknemer zich zo spoedig mogelijk ziek moet melden. In het algemeen zal de werkgever ook voorschrijven dat de werknemer aan zijn bedrijfsgeneeskundige of aan zijn arbo-dienst de nodige inlichtingen verschaft. De werkgever kan voorschrijven dat de werknemer, zo hij daartoe in staat is, de arbo-dienst bezoekt. Op individuele basis kan de werkgever de algemene voorschriften aanvullen of versoepelen. Zo is voor te stellen dat hij een ernstig zieke werknemer van wie vast staat dat een spoedig herstel niet te verwachten is, vooralsnog van de controle door de arbo-dienst vrijwaart. Aan de andere kant kan van een werknemer die nog passende arbeid kan verrichten, worden verlangd dat hij regelmatig met de arbo-dienst komt overleggen over de mogelijkheden tot re-integratie in het arbeidsproces.”
De werkgever is bevoegd de betaling van het in het eerste lid bedoelde loon op te schorten voor de tijd, gedurende welke de arbeider zich niet houdt aan door de werkgever schriftelijk gegeven redelijke voorschriften omtrent het verstrekken van de inlichtingen die de werkgever behoeft om het recht op loon vast te stellen.”
om zo het collectief te behoeden voor de financiële gevolgen van het beroep op deze wet”. [30] Het met de Wulbz ingevoerde poortwachtersmodel bevatte drie elementen. [31] In de eerste plaats diende de werkgever na 13 weken een ziekmelding te doen aan de uvi. In de tweede plaats moest de ziekmelding vergezeld gaan van een (voorlopig) re-integratieplan. In de derde plaats moest de werkgever uiterlijk binnen acht maanden na het begin van het verzuim een definitief re-integratieplan aanleveren. [32]
et verbetering poortwachter
gevolg te geven aan door de werkgever of een door hem aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften en mee te werken aan door de werkgever of een door hem aangewezen deskundige getroffen maatregelen als bedoeld in artikel 658a lid 2;
zijn medewerking te verlenen aan het opstellen, evalueren en bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 658a lid 3;
passende arbeid als bedoeld in artikel 658a lid 4 te verrichten waartoe de werkgever hem in de gelegenheid stelt.
voor de tijd, gedurende welke hij zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan door de werkgever of door een door hem aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften of getroffen maatregelen die erop gericht zijn om de werknemer in staat te stellen passende arbeid als bedoeld in artikel 658a lid 4 te verrichten.”
De werknemer is gehouden zich in te spannen om te reïntegreren. Deconsequentie daarvan is dat, wanneer een zieke werknemer een aantalverplichtingen jegens zijn werkgever niet nakomt, er geen recht bestaat opdoorbetaling van het loon. Dat geldt bijvoorbeeld als de werknemer zijn genezing belemmert of als de werknemer zonder deugdelijke grond weigert om passende arbeid te verrichten. Wanneer de werknemer echter weigert om anderszins mee te werken aan zijn reïntegratie – zoals het volgen van een om of bijscholingscursus – is het binnen het huidige wettelijke systeem niet duidelijk of de werkgever de mogelijkheid heeft door opschorting van de loondoorbetaling de werknemer tot het gewenste gedrag aan te zetten. Vaak zal een weigering van een werknemer om mee te werken aan reïntegratie-activiteiten spelen bij arbeidsconflicten, waardoor de situatie kan ontstaan dat men ook niet meer actief zoekt naar een oplossing voor, of uitweg uit het probleem. Het uitvechten van het conflict komt centraal te staan. Teneinde een mogelijkheid te scheppen dit soort impasses te doorbreken, krijgt de werkgever daarom de mogelijkheid om het loon niet te betalen als de werknemer niet meewerkt aan door de werkgever voorgestelde redelijke maatregelen gericht op werkhervatting. Zolang op de werkgever de verplichting rust het loon door te betalen, heeft hij het recht om de zieke werknemer voorschriften te geven voor diens reïntegratie-inspanningen.”
De werkgever is bevoegd de betaling van het in het in lid 1 bedoelde loon op te schorten voor de tijd, gedurende welke de werknemer zich niet houdt aan door de werkgever schriftelijk gegeven redelijke voorschriften omtrent het verstrekken van de inlichtingen die de werkgever behoeft om het recht op loon vast te stellen.”
Vixia/Gerrits.Daarin oordeelde de Hoge Raad dat de enkele weigering van een werknemer de door de werkgever vastgestelde redelijke voorschriften omtrent controle bij ziekteverzuim na te leven, niet een dringende reden in de zin van art. 7:677 lid 1 oplevert Pro. [48] Daarvoor zijn bijkomende omstandigheden nodig.
in redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratieverplichtingen die zijn verricht’.
Als de ene partij initiatief neemt moet de andere partij daarop ingaan en meewerken, tenzij die andere partij kan aantonen dat dit redelijkerwijs niet van hem kan worden gevergd;
Meer dan het redelijke wordt niet van werkgever en werknemer gevraagd;
Werkgever en werknemer moeten elkaar op hun verplichtingen aanspreken; deskundigen kunnen daarbij ondersteuning bieden.”
eerste staphoudt in dat het UWV beoordeelt of het door werkgever en werknemer bereikte re-integratie resultaat ‘bevredigend’ is. [56] Als dat het geval is, is niet meer van belang of de juiste weg gevolgd is; het gaat om het resultaat. Als het resultaat niet bevredigend is, dan wordt vervolgens beoordeeld of de werkgever voldoende re-integratie inspanningen heeft verricht. Dat is de
tweede stap. Als het UWV van oordeel is dat onvoldoende inspanningen zijn verricht, komt ten slotte de
derde stap: is er een deugdelijke grond voor de onvoldoende inspanningen? Als ook deze vraag ontkennend moet worden beantwoord, legt het UWV een loonsanctie op. Een deugdelijke grond kan bijvoorbeeld zijn gelegen in de omstandigheid dat het UWV een deskundigenoordeel heeft verstrekt, op basis waarvan de werkgever mocht menen dat hij voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht (tenzij het deskundigenoordeel als ‘evident onjuist’ moet worden aangemerkt). [57] Andere voorbeelden van een deugdelijke grond zijn volgens de Werkwijzer Poortwachter het geval dat herplaatsing van de zieke werknemer het ontslag van een andere werknemer zou vergen, of wanneer een herschikking van taken ten behoeve van re-integratie van de zieke werknemer een onevenredige belasting van andere werknemers meebrengt. [58]
werknemeronvoldoende heeft meegewerkt aan zijn re-integratie. Van de werkgever wordt namelijk verwacht dat hij zijn sanctiemogelijkheden gebruikt om de werknemer tot medewerking te dwingen. Dit blijkt uit de Beleidsregels beoordelingskader poortwachter: [59]
Is de werknemer in de periode van de verplichte loondoorbetaling in zijn re-integratie-inspanningen in gebreke gebleven, dan ligt het op de weg van de werkgever om de werknemer op zijn gedrag aan te spreken, bijvoorbeeld door het vragen van een deskundigenoordeel dan wel door (dreiging met) inhouding van loon of in het uiterste geval (dreiging met) ontslag. Blijft de werknemer ook dan nog in gebreke en is hem dat aan te rekenen, dan past het UWV op diens eventuele WIA- of WW- uitkering een maatregel toe. Bij de motivering van eventuele besluiten tot sanctieoplegging op grond van de Wet WIA (of WW) verwijst het UWV naar dit kader.”
Werknemer werkt niet mee
dwingenaan zijn re-integratieverplichting mee te werken en de afspraken met de bedrijfsarts na te komen.
Indien bij de behandeling van de aanvraag, bedoeld in artikel 64 en Pro de beoordeling, bedoeld in artikel 65 blijkt Pro dat de werkgever zonder deugdelijke grond zijn verplichtingen op grond van het eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid dan wel de krachtens het zevende lid gestelde regels niet of niet volledig nakomt of onvoldoende reïntegratie-inspanningen heeft verricht, verlengt het UWV het tijdvak gedurende welke de verzekerde jegens die werkgever recht heeft op loon op grond van artikel 629 van Pro Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek dan wel aanspraak op bezoldiging op grond van artikel 76a, eerste lid, van de Ziektewet, opdat de werkgever zijn tekortkoming ten aanzien van de bedoelde verplichtingen of reïntegratie-inspanningen kan herstellen. De verlenging bedoeld in de eerste zin, is ten hoogste 52 weken. (…)”
werkgever. Bovendien ligt de lat bij de Wwz veel hoger dan bij de Wet WIA. Bij de Wwz gaat het over
ernstig verwijtbaar veronachtzamendoor de werkgever van zijn re-integratie verplichtingen; bij de Wet WIA gaat het om zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie inspanningen verrichten. Maatstaf daarbij is uiteindelijk of werkgever en werknemer, binnen de grenzen van de redelijkheid, al het mogelijke hebben gedaan met het oog op re-integratie van de werknemer.
6.Bespreking van het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep
subonderdeel 2.1.3wordt geklaagd dat het hof bij zijn oordeel ten onrechte niet heeft betrokken de door Cicero Zorggroep aangevoerde feiten en omstandigheden: [64]
bedrijfsartshad geadviseerd dat Werkneemster in gesprek moest komen met Manager A en dat zij
daaromwilde dat Werkneemster een afspraak maakte, maar dat Werkneemster dat weigerde omdat zij eerst opnieuw met de bedrijfsarts wilde spreken.
gewijzigd adviesvan de bedrijfsarts had ontvangen. Hiermee slaagt de motiveringsklacht van subonderdeel 2.1.3.
verplichtom in zo’n situatie een loonsanctie op te leggen, om te voorkomen dat hij op een later moment zélf met een loonsanctie van het UWV wordt geconfronteerd. Hiermee slaagt de rechtsklacht van subonderdeel 2.1.1.