2.6 In zijn arrest van 4 juli 2006 heeft het Hof 's-Hertogenbosch het bestreden eindvonnis vernietigd en de vorderingen alsnog afgewezen. Het Hof heeft hiertoe overwogen:
"4.5. Met de tweede grief in het principaal appel beoogt [eiser] (naar het hof begrijpt) kennelijk te betogen dat de kantonrechter niet alleen ten onrechte het ontslag niet heeft aangemerkt als kennelijk onredelijk vanwege een valse reden, maar bovendien zijn stellingen ten aanzien van het door [eiser] aan Chromalloy verweten handelen ten onrechte uitsluitend heeft getoetst aan de vraag of de reden voor het ontslag als vals of voorgewend moet worden geduid.
4.5.1. Ter toelichting op het eerste onderdeel van de grief heeft [eiser] gewezen op de omstandigheid dat Chromalloy ten onrechte is afgegaan op de mededeling van de arbeidsdeskundige [betrokkene 1] dat [eiser] de functie van magazijnmedewerker niet geschikt achtte en deze niet wilde accepteren en dat Chromalloy deze omstandigheid ten grondslag heeft gelegd aan het verzoek om een toestemming tot ontslag bij de CWI.
4.5.2. Naar het oordeel van het hof staat in voldoende mate vast dat [eiser] niet (meer) geschikt was om de eigen werkzaamheden te vervullen, voorts dat er geen andere passende functie bij Chromally aanwezig was, die hij nog wel zou kunnen vervullen. Het is deze conclusie die dragend is voor de toestemming verleend door de CWI. Daarbij komt in dit verband geen waarde meer toe aan de achteraf onjuist gebleken stelling van de arbeidsdeskundige [betrokkene 1], dat de werkzaamheden als magazijnbediende wél als passend moesten worden beschouwd. Dat aspect heeft kennelijk immers geen rol meer gespeeld bij het verlenen van de toestemming voor ontslag. Van een valse reden voor het ontslag is dan ook geen sprake.
4.5.3. Ter toelichting op het tweede onderdeel van de grief heeft [eiser] gesteld dat Chromalloy onvoldoende reïntegratie-inspanningen heeft verricht om [eiser] weer aan het werk te krijgen. Volstaan is met een voorstel voor een reïntegratieplan aan het UWV/GAK eind 2000 en het laten werken als magazijnbediende in een niet geschikte omgeving in die zin dat [eiser] daarbij gedwongen was zich soms in of door productiehallen te bewegen.
4.5.4. Naar het oordeel van het hof levert de omstandigheid dat de astmatische aandoening van [eiser] een blijvende ongeschiktheid voor enig (passend) werk bij Chromalloy oplevert, reeds voldoende grond op om aan te nemen dat dit (in algemene termen) gestelde verwijt geen hout snijdt. In het destijds (30 november 2000) opgestelde reïntegratieplan (productie 2 bij de brief van 10 juni 2004 van de raadsman van Chromalloy aan de kantonrechter) wordt als mogelijkheid (door [eiser] zelf aangereikt) nog genoemd stofvrij/arm magazijnwerk, terwijl door de Arbo-arts reeds werd aangegeven dat er geen ander passend werk aanwezig was. [Eiser] heeft vervolgens met toestemming van Chromalloy enige tijd magazijnwerk verricht op arbeidstherapeutische basis, maar heeft dat niet kunnen volhouden, omdat de wisselende omgeving kennelijk onvoldoende stofvrij/ arm was. Dat hierbij door Chromalloy is voorbijgegaan aan arbovoorschriften is niet gebleken. Onder deze omstandigheden en bij gebreke van enige nadere voldoende concrete aanduiding anders dan het "op andere wijze aanbieden van de functie (van magazijnbediende, hof)" (zie punt 15 MvG), welke inspanningen meer of anders van Chromalloy gevergd hadden kunnen worden om te bewerkstelligen dat op den duur enige werkhervatting van [eiser] bij Chromalloy mogelijk was, gaat dit verwijt derhalve niet op. Tegen het oordeel van de kantonrechter dat er in de niet-productieve sfeer gezien de zeer beperkte opleiding van [eiser] geen geschikte functies voorhanden waren, is geen grief gericht.
4.6. Met de grieven in het incidenteel appel komt Chromalloy allereerst op tegen het oordeel van de kantonrechter dat het ontslag gelet op de gevolgen voor [eiser] kennelijk onredelijk is. Voorts wordt met de grieven opgekomen tegen de hoogte van de toegekende schadevergoeding. Dat aspect wordt ook aan de orde gesteld met de eerste en de derde grief in het principaal appel.
4.6.1. De kantonrechter heeft voor zijn oordeel dat het ontslag kennelijk onredelijk is drie gronden genoemd, die kort samengevat, het verwijt inhouden dat Chromalloy onvoldoende inspanningen heeft verricht om te komen tot een reïntegratie van [eiser], dat Chromalloy, hoewel onbedoeld, [eiser] extra leed heeft toegevoegd door zich (naar achteraf is gebleken ten onrechte) in de aanvraag om toestemming voor ontslag op het standpunt te stellen dat [eiser] passend werk heeft geweigerd, en tenslotte, dat [eiser] gelet op zijn leeftijd, zijn arbeidsverleden en zijn opleiding als kansarm op de arbeidsmarkt moet worden beschouwd.
Onvoldoende reïntegratie-inspanningen.
4.6.2. Zoals het hof reeds in r.o.4.5.4. heeft overwogen is gegeven het uitgangspunt dat [eiser] gezien zijn aandoening voor geen enkele functie in de productie in aanmerking komt, het weinig reëel te eisen dat Chromalloy reïntegratie-inspanningen verricht om te komen tot werkhervatting in al dan niet aangepast werk. Dat in dergelijke omstandigheden wordt volstaan met regelmatige contacten tussen [eiser] en de Arbo-arts, het verzoek aan het UWV/GAK om te bemiddelen naar ander werk buiten Chromalloy en het toestaan dat [eiser] op arbeidstherapeutische basis werkzaamheden verricht, die hij zelf als passend heeft gesuggereerd en het, na overleg met de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige, aanbieden van werk in het magazijn, is mogelijk uiteindelijk teleurstellend geweest voor [eiser], maar dat doet niet af aan het feit dat noch gesteld noch gebleken is welke concrete inspanningen verder van Chromalloy in redelijkheid verwacht hadden kunnen worden.
Leedtoevoeging door Chromalloy.
4.6.3. In het verzoek tot toestemming voor een ontslag aan de CWI heeft Chromalloy (kennelijk gezien de beslissing van de CWI, want de betreffende brief bevindt zich niet bij de stukken) aangegeven dat [eiser] passend werk heeft geweigerd. Uit de beslissing van de bestuursrechter in de rechtbank Breda van 31 december 2002 in het kader van een (afgewezen) aanvraag WW door [eiser] valt op te maken dat onvoldoende vast staat dat de hem door Chromalloy aangeboden functie van magazijnmedewerker als passend is te beschouwen. Het is deze omstandigheid, die de kantonrechter als "extra leedtoevoeging" heeft aangemerkt.
4.6.4. Naar het oordeel van het hof valt Chromalloy in deze geen verwijt te maken (zoals ook de kantonrechter terecht overweegt) nu zij is afgegaan op oordelen van daartoe aangewezen deskundigen in deze materie. Het moge zo zijn dat een daarop gebaseerd aanbod tot werkhervatting als (achteraf bezien) niet passend moet worden beschouwd, en daarmee het risico van loon(door)betalingsverplichtingen voor Chromalloy schept, doch niet goed valt in te zien, waarom Chromalloy in de brief aan de CWI het standpunt dat [eiser] geweigerd had om passende arbeid te verrichten in redelijkheid niet zou hebben kunnen innemen. Chromalloy is daarbij kennelijk afgegaan op de verklaring van de arbeidsdeskundige [betrokkene 1], die heeft aangegeven dat [eiser] tegenover haar te kennen heeft gegeven de baan niet passend te achten. Vast staat bovendien dat [eiser], hoewel daar door Chromalloy nadrukkelijk op gewezen, niet binnen de daartoe aangegeven termijn heeft gesolliciteerd en daarmee zich de kans heeft ontnomen te worden geplaatst. Overigens en ook achteraf bezien heeft dat [eiser] niet van een passende functie binnen Chromalloy beroofd, zodat ook hierin geen aan een kennelijk onredelijk ontslag te koppelen verwijt valt te vinden.
Verminderde kansen op de arbeidsmarkt.
4.6.5. Blijkens de toelichting (op de derde) grief, bestrijdt Chrommaloy niet het oordeel van de kantonrechter dat [eiser] moet worden beschouwd als kansarm op de arbeidsmarkt, doch veeleer dat bij het toekennen van een vergoeding onvoldoende acht is geslagen op het ontbreken van een causaal verband tussen arbeidsongeschiktheid en het werk van [eiser], de inspanningen van Chromalloy om [eiser] passend werk te bezorgen en de financiële positie van Chromalloy als gevolg van de aanslagen in New York en Washington in september 2001. Nu aldus het oordeel van de kantonrechter op dit punt niet wordt bestreden, zal ook het hof uitgaan van de beperkte kansen van [eiser] op de arbeidsmarkt.
4.7. Naar het oordeel van het hof leiden al deze omstandigheden in onderlinge samenhang en verband beschouwd niet tot het oordeel dat het aan [eiser] gegeven ontslag als kennelijk onredelijk moet worden aangemerkt. Daarbij neemt het hof tevens als uitgangspunt dat de enkele omstandigheid dat [eiser] na een langdurig dienstverband wegens arbeidsongeschiktheid wordt ontslagen op zichzelf beschouwd geen grond oplevert voor het toekennen van een vergoeding. Nu verder Chromalloy geen verwijt kan worden gemaakt van het ontstaan van de arbeidsongeschiktheid, noch van het voortduren daarvan, noch van het niet kunnen inpassen op productieve wijze van [eiser] in haar bedrijf, valt niet goed in te zien waarom het ontslag om andere redenen kennelijk onredelijk zou moeten worden geacht. Het feit dat [eiser] gedeeltelijk arbeidsongeschikt is, gezien zijn leeftijd in combinatie met opleiding en ervaring betrekkelijk weinig kansen op de arbeidsmarkt heeft, maakt dat niet anders.
4.8. Dit brengt het hof tot de slotsom dat de grieven in het incidenteel beroep voorzover gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat er sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag slagen en dat het eindvonnis dient te worden vernietigd. De vorderingen van [eiser] dienen alsnog te worden afgewezen. (..)"