Conclusie
9.a.1 Beëindiging van het dienstverband
-
primaireen declaratoir dat de opzegging kennelijk onredelijk is wegens een valse en/of voorgewende redenen, met schadevergoeding op grond van art. 7:681 BW Pro van € 3.000.000,-;
subsidiaireen declaratoir dat de opzegging kennelijk onredelijk is vanwege het gevolgencriterium, eveneens met schadevergoeding ex art. 7:681 BW Pro van € 443.276,- vermeerderd met rente;
meer subsidiaireen verklaring voor recht dat SRL in strijd heeft gehandeld met haar verplichtingen uit hoofde van goed werkgeverschap (art. 7:611 BW Pro) en SRL daarom jegens [eiser] schadeplichtig is, met schadevergoeding op te maken bij staat;
Ontslag kennelijk onredelijk wegens opgave van valse of voorgewende reden?
met name genoemde gewichtige omstandigheden die redelijkerwijs geacht moeten worden met het oog op de belangen van de instelling en van het onderwijs de mogelijkheid van het dienstverband uit te sluiten”.
Stichting LattisIn 2007 heeft Stichting Latiss (Mazars) met Het Rijnlands een afspraak gemaakt om op een bepaalde wijze de betaling van BTW uit te stellen. Deze afspraak is volgens Mazars afgestemd met de Belastingdienst. De correspondentie hieromtrent heeft Het Rijnlands nog niet ontvangen.”.In deze jaarrekening is onder overlopende passiva een bedrag van € 220.101,28 (zijnde het BTW-bedrag) vermeld met als omschrijving “Stg. Latiss”. Verder is in die jaarrekening vermeld: “
Een vordering van EUR 1,4 miljoen op de belastindienst staat opgenomen (…) en wordt aangewend voor de financiering van de nieuwbouw ISH. De vordering is juridisch gezien hard, echter wordt deze (…) door het Europese Hof van Justitie in beschouwing genomen. Vooralsnog is er geen reden om te twijfelen aan de opeisbaarheid van deze vordering. In 2009 zal de vordering naar verwachting leiden tot een geldstroom.”,aldus nog steeds [eiser]. SRL heeft geen overtuigende verklaring kunnen geven voor deze vermeldingen in de jaarrekening, anders dan dat deze niet zien op de vermeend verheimelijkte, niet afgedragen BTW. Dat deze zien op iets anders dan het niet afgedragen BTW-bedrag acht het hof echter niet aannemelijk, omdat SRL niet weersproken heeft dat het bedrag tot op de cent nauwkeurig correspondeert met het bedrag dat SRL aan BTW verschuldigd was. Op grond van de vermelding in de jaarrekening, gaat het hof er van uit [dat] het niet afdragen van de betreffende BTW, zoals door [eiser] gesteld, is geschied na overleg (van de bestuurder) met [betrokkene 3]. Dit zo zijnde valt niet in te zien dat [eiser] hiervoor verantwoordelijk is. Uit het vorenstaande volgt tevens dat het verwijt dat [eiser] het niet betalen van BTW heeft achtergehouden voor de bestuurder, niet kan standhouden.
publiekelijkis weggezet als fraudeur en onbetrouwbaar. Wel acht het hof het aannemelijk dat een ontslag op staande voet binnen SRL en mogelijk ook in de onderwijswereld is gaa[n] “rondzoemen”. Reden om zonder meer aan te nemen dat te verwachten was dat [eiser] als gevolg van het ontslag tot zijn pensioen werkloos zal blijven was (en is) er volgens het hof niet (volgens de tool “Mag ontslag” van de Universiteit van Amsterdam is die kans 5%). Anderzijds was ten tijde van het ontslag wel te voorzien dat [eiser] geruime tijd (volgens de tool “Mag ontslag”, gemiddeld 956 dagen) werkloos zou blijven en waarschijnlijk zelfs aanzienlijk langer dan gemiddeld, omdat het hem onterecht gemaakte verwijt dat hij zijn werkgever ernstig heeft benadeeld, alsmede het bestuur door zijn handelen heeft blootgesteld aan het risico van strafrechtelijke vervolging, het vinden van werk zou bemoeilijken. Het hof stelt de termijn schattenderwijs op vijf jaar. Het hof neemt voorts in aanmerking dat [eiser] aan wettelijke en bovenwettelijke WW-uitkering een bedrag van € 220.000,-- heeft genoten, en dat onmiskenbaar sprake is van pensioenschade. Een en ander in aanmerking genomen acht het hof een vergoeding van € 250.000,-- passend. De gevraagde subsidiaire verklaring voor recht zal derhalve worden toegewezen en SRL zal worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 250.000,--, bruto vermeerderd met rente daarover vanaf datum dagvaarding.
2.Bespreking van het principale cassatiemiddel
kanworden. Indien een van deze gevallen zich voordoet, is daarmee nog niet gezegd dat de opzegging ook daadwerkelijk kennelijk onredelijk is [14] . Als komt vast te staan dat een gegeven ontslaggrond niet juist is, maakt dat die reden op zichzelf nog niet “vals”; de toets is in feite of de werkgever te goeder trouw is of niet. De opsomming is bovendien niet limitatief [15] . Ik citeer opnieuw uit de parlementaire geschiedenis [16] :
eerste onderdeelbevat klachten over de rov. 5.1 tot en met 5.3. Daarin geeft het hof volgens de klacht blijk van een onjuiste rechtsopvatting over een voorgewende en/of valse reden in de zin van art. 7:681 lid 2 onder Pro a BW, is althans art. 24 Rv Pro geschonden, of is het oordeel onbegrijpelijk. Het onderdeel werkt dit uit in diverse subonderdelen.
onder 1.2dat [eiser], anders dan het hof in rov. 5.1 overweegt, niet (alleen) heeft gesteld dat “de discussie omtrent het rapport [A] de werkelijke reden voor het ontslag vormt en (dus) in de brief van 29 juni 2010 sprake is van een voorgewende reden (een bestaande reden die niet werkelijk de ontslaggrond is)”, maar dat die discussie het “kantelmoment” is geweest voor zijn ontslag. Het hof heeft de in subonderdeel 1.1 bedoelde stellingname te beperkt of verkeerd opgevat, zodat sprake is van een onbegrijpelijk oordeel.
valseredenen aan het ontslag ten grondslag zijn gelegd – dat die discussie het kantelmoment is geweest, dan kan dat [eiser] niet baten. In dat geval moet rov. 5.2 van het hof immers worden gezien als een overweging ten overvloede, door het hof gegeven voor het geval [eiser] had bedoeld te stellen dat de discussie omtrent het rapport [A] de werkelijke reden is geweest voor het ontslag en dus sprake is geweest van een
voorgewendereden.
subonderdeel 1.3ventileert het hof in rov. 5.2 en 5.3 een onjuiste rechtsopvatting over wat moet worden verstaan onder “voorgewende of valse reden”. Dat is uitgewerkt in subonderdelen 1.3.a, 1.3.b en 1.3.c.
kanworden genomen of de werkgever wist dat sprake was van een valse reden. Bekendheid met of wetenschap van “de opgave van
een voorgewendeof valse reden” [cursivering A-G] is volgens de klacht in zijn algemeenheid niet vereist voor kennelijk onredelijk ontslag.
voorgewende redenrelevant heeft geacht of SRL wist dat de reden was voorgewend, mist het feitelijke grondslag. Het hof heeft dit immers alleen ten aanzien van de vraag of sprake is van een valse reden van belang geacht in rov. 5.3. Dat laatste getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting [29] . In het standaardarrest HR 18 juni 1999 werd in cassatie geklaagd dat alleen van belang is of de opgegeven ontslagreden (daar: langdurige arbeidsongeschiktheid) bestaat en dat dan ook niet relevant is of de werkgever aannam en mocht aannemen dat de reden bestond. Uw Raad overwoog daarover:
kunnenworden gehouden wanneer deze geschiedt onder opgave van een valse reden. Daarom behoeft een ontslag, ook al komt naderhand vast te staan dat de gebezigde ontslaggrond in werkelijkheid niet bestond en de opgegeven ontslagreden derhalve 'vals' was, nog niet noodzakelijk als kennelijk onredelijk te worden aangemerkt. Anders dan het onderdeel betoogt, kan de rechter bij de beantwoording van de vraag of een wegens langdurige arbeidsongeschiktheid gegeven ontslag kennelijk onredelijk is, mede betrekken de omstandigheid dat de werkgever aannam en in redelijkheid mocht aannemen dat de werknemer langdurig ongeschikt was om de bedongen arbeid te verrichten.”
opgegevenontslagredenen. Ten aanzien van de vervolgvraag of die opgegeven redenen voorgewend of vals zijn, is het aan [eiser] om zijn stellingen voldoende handen en voeten te geven, al dan niet gebruikmakend van de onderbouwing die SRL heeft gegeven voor de opgegeven ontslagredenen.
feiten die aan de schadevordering ten grondslag zijn gelegdbij [eiser] liggen, maar dat dit niet wegneemt dat op SRL “een verzwaarde stelplicht” rust met betrekking tot de gronden waarop het ontslag aan [eiser] is gegeven, temeer nu het ernstige feiten betreffen en de feitelijke onderbouwing in het domein van SRL ligt. Het hof toetst in rov. 6.1 tot en met 6.15 of sprake is van kennelijk onredelijk ontslag gelet op het gevolgencriterium, dus of de door SRL aan het ontslag ten grondslag gelegde redenen dusdanig zijn dat het belang van SRL bij het ontslag van [eiser] zwaarder weegt dan de gevolgen die het ontslag voor [eiser] heeft (vgl. hiervoor ook verderop de bespreking van het eerste onderdeel van het incidentele cassatieberoep). Het gaat daar dus om de (onderbouwing van de) door SRL aan het ontslag ten grondslag gelegde redenen, ten aanzien waarvan SRL voldoende feitelijke gegevens moet verschaffen. In rov. 5.2 en 5.3 gaat het nu juist niet om de (onderbouwing van de) aan het ontslag ten grondslag gelegde redenen, maar om de
vraag of deze redenen voorgewend of wel vals waren– een andere toets. Het betreft verschillende vragen, zodat het hof ten aanzien van (het voldaan zijn aan) de stelplicht ook tot andere oordelen kon komen.
tweede onderdeelziet op het oordeel van het hof omtrent de (omvang van de) aan [eiser] toegekende vermogensschadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag in het licht van het gevolgencriterium en afwijzing van de immateriële schadeclaim. Dat geeft volgens de klacht blijk van een onjuiste rechtsopvatting over de op voet van art. 7:681 lid 1 BW Pro in samenhang met art. 6:97 BW Pro vast te stellen schadevergoeding, althans heeft het hof zijn oordeel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd in het licht van de becijferingen van de kant van [eiser]. Het onderdeel werkt dit uit in subonderdelen 2.1 en 2.2.a t/m 2.2.c.
Regiobouw Haarlemmermeer/Schoo-arrest, vindplaats voetnoot 27). Een (strikt) concrete schadebepaling, in de zin dat er gekeken wordt naar de feitelijke situatie van de werknemer na het ontslag, past hierin niet. Dat niet schattenderwijs op vijf jaar verwachte werkloosheid mocht worden uitgekomen gelet op de feitelijke omstandigheid dat [eiser] al zes jaar werkloos was, stuit hier ook op af: het hof moest de schade begroten aan de hand van wat er
ten tijde van het eindevan de arbeidsovereenkomst te verwachten was [30] . Dat onbegrijpelijk is hoe het hof tot vijf jaar komt, miskent dat het hof heeft gemotiveerd hoe tot de termijn van vijf jaar is gekomen, namelijk door het resultaat van de tool “Mag ontslag” [31] en de in dit geval bijkomende omstandigheid dat de onterechte verwijten aan het adres van [eiser] het vinden van werk bemoeilijken. Van onbegrijpelijkheid is geen sprake. Voor verdere toetsing is in cassatie geen plaats.
publiekelijkis weggezegd als fraudeur en onbetrouwbaar [33] . Dit geldt in het bijzonder nu gesteld noch gebleken is (althans, hiervan in de cassatiedagvaarding niet blijkt) dat deze uitlatingen tot een publicatie van de betreffende journalist hebben geleid. Het oordeel van het hof dat [eiser] op dit punt onvoldoende heeft gesteld, is in dat licht niet onbegrijpelijk. Voor de volledigheid merk ik nog op dat de in de cassatiedagvaarding genoemde vindplaatsen niet de stelling bevatten dat [betrokkene 1] in het gesprek met de journalist
over [eiser]denigrerende opmerkingen heeft gemaakt, maar dat [betrokkene 1] denigrerende opmerkingen heeft gemaakt “over de pakweg 20
andereadministratieve medewerkers van de Stichting Rijnlands Lyceum” [cursivering A-G] [34] .
derde onderdeelbehelst een terechte klacht [36] over de ingangsdatum van de wettelijke rente. In rov. 6.15 en het dictum heeft het hof de schadevergoeding toegewezen vanaf 10 oktober 2012, de datum van de inleidende dagvaarding. Dat moet inderdaad zijn datum einde dienstverband, zoals onderdeel 3 aandraagt, 29 juni 2010. Uw Raad overwoog immers in
Dahri/Bonna [37] :
3.Bespreking van het incidentele cassatiemiddel
(a)tot en met
(e).
eerste onderdeel(a)richt zich tegen rov. 6.3-6.6 van het hof en klaagt in de kern dat het hof een foute maatstaf heeft toegepast bij de beoordeling van het kennelijk onredelijke karakter van de opzegging door SRL. Het onderdeel werkt dit uit in diverse (ongenummerde) klachten.
too sophisticateden komt op de keper beschouwd neer op het alleen toetsen van de gevolgen van het ontslag, zonder dat vervolgens een balans kan worden gezocht met de belangen van de (in dit geval, zoals meestal) werkgever bij ontslag.
derde klachtuit onderdeel (a) is dat het rechtens onjuist is dat het hof de opzegging door SRL toetst aan art. 9.a.5 van de toepasselijke CAO, nu aan art. 7:681 BW Pro moet worden getoetst.
tot slotdat rechtens onjuist is wat het hof in rov. 6.6 overweegt, namelijk dat van SRL nadere onderbouwing van de feitelijke grondslag voor de door haar aan [eiser] gemaakte verwijten gevraagd mocht worden. Volgens het onderdeel is het niet aan de werkgever om diens verwijten aan het adres van de werknemer te onderbouwen, maar zal de werkgever de ongegrondheid van de hem gemaakte verwijten moeten onderbouwen.
tweede onderdeel(b)bevat de motiveringsklacht dat het hof ten onrechte niet is ingegaan op de verwijten die SRL [eiser] heeft gemaakt over de OB-aangiftes 2009. Het hof zou zijn motivering helemaal hebben gericht op de Latiss-constructie.
derde onderdeel(c)klaagt dat het hof het recht heeft geschonden door kennelijk belang te hechten aan het “tweede” ontslag (de “regelmatige” opzegging voor zover vereist). [eiser] heeft immers het hem op 29 juni 2010 gegeven ontslag op staande voet als zodanig aanvaard. Dit raakt onder meer rov. 6.4, omdat daarin verwijten worden besproken die niets van doen hebben met en los staan van de gronden die SRL in het kader van het ontslag op staande voet heeft aangevoerd. Daarnaast raakt dit rov. 6.5, omdat ook het daar besproken verwijt slechts voorkomt in het kader van het tweede, voorwaardelijke, ontslag en niet in het kader van het ontslag op staande voet, aldus het onderdeel.
obiterszijn. Dat hetgeen het hof ten aanzien van die verwijten overweegt
doorslaggevendis geweest in de afweging van het hof op basis van het gevolgencriterium, is niet gebleken. Het onderdeel maakt niet duidelijk welk belang SRL dan heeft bij deze klachten. Dat belang zie ik niet, zodat de klacht niet tot cassatie kan leiden.
vierde onderdeel(d)klaagt dat het hof in rov. 6.7.1 ten onrechte geheel voorbij is gegaan aan de functieomschrijving voor chef de bureau, terwijl deze omschrijving mede aangeeft wat de verantwoordelijkheden van [eiser] op BTW-gebied waren toen hij nog controller was. Deze verantwoordelijkheden bleven namelijk hetzelfde toen hij chef de bureau werd.
vijfde onderdeel(e)is gericht tegen de passage uit rov. 6.9 dat in de jaarrekening 2008 onder overlopende passiva een bedrag van € 220.101,28 als BTW-bedrag is vermeld. De klacht is dat hiermee zonder deugdelijke motivering wordt gepasseerd dat SRL heeft
ontkenddat dit in de jaarrekening over 2008 (kenbaar) stond vermeld.