AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling openbaarheid uitleveringsprocedure tijdens coronacrisis
De zaak betreft een cassatieberoep tegen de beslissing van de rechtbank Noord-Holland die de uitlevering van een persoon aan Zwitserland toelaatbaar verklaarde. De verdediging stelde dat de behandeling en uitspraak niet openbaar waren vanwege coronamaatregelen die de toegang tot het gerechtsgebouw beperkten, wat volgens artikel 25 vanPro de Uitleveringswet niet is toegestaan.
De rechtbank had geoordeeld dat het verhoor van de opgeëiste persoon in het openbaar had plaatsgevonden, ondanks dat familie en publiek niet waren toegelaten vanwege volksgezondheidsredenen. De pers was wel aanwezig, wat volgens de rechtbank voldoende was om openbaarheid te waarborgen. De Procureur-Generaal adviseerde het cassatieberoep te verwerpen, stellende dat de beperkte inbreuk op openbaarheid gerechtvaardigd was en dat de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid niet van toepassing was op de zitting.
De Hoge Raad bevestigt dat openbaarheid betekent dat de zitting toegankelijk moet zijn voor het publiek, maar dat beperkingen vanwege gewichtige redenen zoals volksgezondheid zijn toegestaan. Het feit dat pers aanwezig was, maakt de zitting openbaar. De uitspraak werd ook gepubliceerd op rechtspraak.nl, waardoor belangstellenden toegang hadden. Het cassatieberoep faalt dan ook, en de uitspraak van de rechtbank blijft in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen omdat de uitleveringsprocedure en uitspraak ondanks coronamaatregelen in het openbaar hebben plaatsgevonden.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer20/01476 U
Zitting6 oktober 2020
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,
hierna: de opgeëiste persoon.
1. De rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, heeft bij beslissing van 9 april 2020 de uitlevering van de opgeëiste persoon aan Zwitserland toelaatbaar verklaard ter strafvervolging ter zake van het feit, zoals omschreven in de bestreden uitspraak in de uiteenzetting van de feiten onder 3.3.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de opgeëiste persoon en mr. Y. Moszkowicz, advocaat te Utrecht, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middelklaagt dat de behandeling van het uitleveringsverzoek en de uitspraak van de rechtbank niet in het openbaar hebben plaatsgevonden, althans dat het oordeel van de rechtbank dat het uitleveringsverzoek in het openbaar is behandeld en de beschikking in het openbaar is uitgesproken onjuist, onvoldoende gemotiveerd dan wel onbegrijpelijk is.
3.1.
Het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank van 26 maart 2020 houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
“Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden zitting van bovengenoemde rechtbank op 26 maart 2020.
(…)
De raadsman voert het woord als volgt:
(…)
De familie van cliënt mocht vandaag niet aanwezig zijn bij de behandeling van het uitleveringsverzoek. Formeel gesproken is dan ook sprake van een behandeling van de zaak met gesloten deuren. Ik wijs op twee uitspraken van de Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AB3198 en ECLI:NL:HR:2010:BN8515. De vraag is of de uitzonderingsgronden als bedoeld in artikel 25 vanPro de Uitleveringswet van toepassing zijn en de rechtbank zal daarover moeten beslissen, alvorens de rechtbank een beslissing neemt over het uitleveringsverzoek. Ik meen dat de uitzonderingsgronden niet van toepassing zijn. Op grond hiervan is de uitleveringsprocedure nietig en kan de rechtbank het uitleveringsverzoek niet toelaatbaar verklaren.
Op de vraag van de voorzitter of de rechtbank het standpunt van de raadsman zo moet begrijpen dat hij gelet op de huidige situatie van de coronacrisis zich op het standpunt stelt dat het uitleveringsverzoek niet toelaatbaar is en ook het verzoek doet om de uitleveringsdetentie te schorsen antwoordt de raadsman als volgt:
Ik verzoek inderdaad het uitleveringsverzoek niet toelaatbaar te verklaren en ook de uitleveringsdetentie te schorsen. Cliënt heeft een adres in Nederland waar hij kan verblijven. Hij is verloofd met [betrokkene 1] . In de gevangenis is het een en ander voor een huwelijk in gang gezet. Er is geen sprake van vluchtgevaar.
(…)
Op de vraag van de jongste rechter hoe de raadsman aankijkt tegen aanhouding van de behandeling van de zaak, nu de raadsman zich op het standpunt stelt dat sprake is van een behandeling met gesloten deuren, teneinde de zaak op een later moment in het openbaar te doen plaatsvinden antwoordt de raadsman als volgt:
De behandeling van de zaak had vandaag in het openbaar moeten plaatsvinden. Als dat niet mogelijk is, verzoek ik primair de uitlevering niet toelaatbaar te verklaren en subsidiair stel ik mij op het standpunt dat de zaak moet worden aangehouden en cliënt moet worden geschorst.
De officier van justitie voert het woord als volgt:
(…)
Het verweer dat de procedure feitelijk achter gesloten deuren plaatsvindt, daar zit in zekere zin wat in. Maar gezien de overmachtssituatie waarin we verkeren gaat het verweer, dat sprake is van een nietige procedure, mijns inziens niet op.
(…)
De raadsman voert het woord als volgt:
(…)
Ik meen voorts dat het niet gerechtvaardigd is dat de procedure feitelijk achter gesloten deuren plaatsvindt.
(…)
De voorzitter deelt - na beraad - de volgende beslissingen van de rechtbank mee.
(…)
- Het verzoek om de behandeling van het uitleveringsverzoek aan te houden, omdat geen sprake is van een openbare procedure zoals vereist in artikel 25 vanPro de Uitleveringswet wordt afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het verhoor van de opgeëiste persoon in het openbaar plaatsgevonden. De opgeëiste persoon was aanwezig, bijgestaan door zijn raadsman. Tevens was een tolk aanwezig. Ook was het de pers toegestaan de zitting bij te wonen. Daarmee is het doel .van de openbaarheid, te weten de controleerbaarheid, voldoende gewaarborgd. Dat de rechtbank in zijn algemeenheid heeft besloten, vanwege de coronacrisis, belangstellenden niet meer toe te laten tot het gerechtsgebouw heeft te maken met gewichtige redenen van volksgezondheid. Deze (beperkte) inbreuk op de openbaarheid acht de rechtbank niet in strijd met het bepaalde in artikel 25 vanPro de Uitleveringswet. Immers, in het eerste lid van dit artikel is voorzien in de mogelijkheid van - gedeeltelijke - sluiting der deuren om gewichtige redenen zoals nu ook in deze zaak aan de orde.
(…)
De voorzitter sluit het onderzoek ter zitting en deelt mee, dat de beslissing van de rechtbank zal worden uitgesproken op de openbare zitting van 9 april 2020 om 12:45 uur.”
3.2.
Het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank van 9 april 2020 houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
“Proces-verbaal van het verhandelde op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26-03-2020 waarvan uitspraak op 9-04-2020
(…)
De voorzitter spreekt het vonnis uit (…).”
3.3.
De bestreden uitspraak houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
“1. Voorvragen
De raadsman van de opgeëiste persoon, mr. E.G.S. Roethof, heeft ter zitting als meest verstrekkende verweer aangevoerd dat de onderhavige uitleveringsprocedure nietig is, omdat in de huidige omstandigheden ten tijde van de coronacrisis, strikt genomen geen sprake is van een openbare procedure zoals vereist in artikel 25 vanPro de Uitleveringswet.
Dit verweer slaagt niet.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het verhoor van de opgeëiste persoon in het openbaar plaatsgevonden. De opgeëiste persoon was aanwezig, bijgestaan door zijn raadsman. Tevens was een tolk aanwezig. Ook was het de pers toegestaan de zitting bij te wonen. Daarmee is het doel van de openbaarheid, te weten de controleerbaarheid, voldoende gewaarborgd. Dat de rechtbank in zijn algemeenheid heeft besloten, vanwege de coronacrisis, belangstellenden niet meer toe te laten tot het gerechtsgebouw heeft te maken met gewichtige redenen van volksgezondheid. Deze (beperkte) inbreuk op de openbaarheid acht de rechtbank niet in strijd met het bepaalde in artikel 25 vanPro de Uitleveringswet.
Immers, in het eerste lid van dit artikel is voorzien in de mogelijkheid van - gedeeltelijke - sluiting der deuren om gewichtige redenen zoals nu ook in deze zaak aan de orde.
(…)
6. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Deze uitspraak is gedaan door
(…)
en uitgesproken op de openbare zitting van 9 april 2020.”
3.4.
Aan het middel is ten grondslag gelegd dat de rechtbank zich in het proces-verbaal van de zitting van 26 maart 2020 tegenspreekt en de uitspraak niet deugdelijk is gemotiveerd. De steller van het middel wijst er daartoe op dat het proces-verbaal in de aanhef vermeldt dat de zitting in het openbaar is gehouden, terwijl de rechtbank tegelijkertijd overweegt dat het belangstellenden niet was toegestaan het gerechtsgebouw te betreden en spreekt van een (beperkte) inbreuk op de openbaarheid, waarmee de rechtbank erkent dat de behandeling van de zaak niet in de openbaarheid heeft plaatsgevonden. Ook wijst de steller van het middel op de vraag van de jongste rechter aan de raadsman hoe hij “aankijkt tegen aanhouding tegen aanhouding van de behandeling van de zaak, nu de raadsman zich op het standpunt stelt dat sprake is van een behandeling met gesloten deuren, teneinde de zaak op een later moment in het openbaar te doen plaatsvinden”, waarmee de rechtbank heeft erkend dat de zaak achter gesloten deuren werd behandeld, terwijl in het proces-verbaal een vermelding van de gewichtige redenen die tot sluiting van de deuren aanleiding hebben gegeven ontbreekt. De zitting waarop de uitspraak is gedaan is volgens de steller van het middel evenmin openbaar geweest, aangezien ook bij deze zitting geen publiek was toegestaan behoudens mogelijk geïnteresseerde pers. Verder klaagt het middel blijkens de toelichting, voor het geval de advocaat-generaal in zijn conclusie zal wijzen op de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid, dat (straf)wetgeving niet ten nadele van een verdachte met terugwerkende kracht mag worden toegepast.
3.5.
Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende bepalingen relevant:
art. 362, eerste lid, Sv, welke bepaling op grond van art. 29, eerste lid, Uitleveringswet overeenkomstige toepassing vindt:
3.6.
De Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid [1] is mijns inziens voor de beoordeling van het middel niet relevant. Paragraaf 6 van deze wet bevat twee bepalingen – art. 27 enPro 28 – die het mogelijk maken dat voor het horen of ondervragen van een personen in plaats van videoconferentie gebruik wordt gemaakt van een ander tweezijdig elektronisch communicatiemiddel [2] respectievelijk dat de mondelinge behandeling van strafzaken plaatsvindt door middel van een tweezijdig communicatiemiddel indien het houden van een fysieke zitting niet mogelijk is. [3] De Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid is echter pas na de behandeling van het uitleveringsverzoek en de uitspraak in werking getreden, namelijk op 24 april 2020, terwijl paragraaf 6 blijkens het besluit tot inwerkingtreding niet terugwerkt tot en met 16 maart 2020. [4] Deze bepalingen golden met andere woorden niet ten tijde van de behandeling van het uitleveringsverzoek en de uitspraak van de rechtbank, zodat zij reeds daarom buiten beschouwing moeten blijven. De voorwaardelijke klacht dat (straf)wetgeving niet ten nadele van een verdachte met terugwerkende kracht mag worden toegepast, behoeft daarom geen bespreking.
3.7.
Ik bespreek allereerst de klacht voor zover deze betrekking heeft op de zitting van 26 maart 2020. In dat kader stel ik voorop dat art. 25, eerste lid, UW bepaalt dat het verhoor van de opgeëiste persoon – waarmee wordt bedoeld het onderzoek ter zitting omtrent de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering [5] – in het openbaar geschiedt, tenzij deze een behandeling van de zaak met gesloten deuren verlangt, of de rechtbank om gewichtige redenen de sluiting van de deuren beveelt. Het belang van dit voorschrift, dat is gegeven ter bescherming van de belangen van de opgeëiste persoon [6] , wordt onder meer onderstreept door het arrest van de Hoge Raad van 3 februari 1987. Daarin overwoog de Hoge Raad, voor zover hier van belang, het volgende:
“Uit het p.-v. der zitting blijkt niet dat het verhoor van de opgeëiste persoon in het openbaar is geschied, zodat het ervoor moet worden gehouden dat zulks, in strijd met het bepaalde in art. 25 lid 1 UitleveringswetPro, niet is geschied. Evenmin maakt het p.-v. melding van de omstandigheid dat de opgeëiste persoon een behandeling van de zaak met gesloten deuren verlangt, of van gewichtige redenen tot sluiting der deuren. De in voormelde bepaling gestelde eis dat het verhoor van de opgeëiste persoon geschiedt in het openbaar, tenzij deze een behandeling van de zaak met gesloten deuren verlangt of de Rb. om gewichtige, in het p.-.v. der zitting te vermelden, redenen sluiting der deuren beveelt, is van zo wezenlijke betekenis dat het niet voldaan zijn daaraan – ook al is zulks niet uitdrukkelijk met nietigheid bedreigd – nietigheid met zich brengt.” [7]
3.8.
Met openbaar wordt bedoeld dat de zitting toegankelijk is voor het publiek. [8] Toch betekent niet iedere beperking op de mogelijkheid voor derden om bij het onderzoek ter zitting aanwezig te zijn dat niet langer sprake is van een openbare behandeling. In de zaak die leidde tot HR 9 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB3318, had de voorzitter van het hof tijdens een getuigenverhoor de publieke tribune laten ontruimen door de parketpolitie. In cassatie werd vervolgens geklaagd dat een deel van het onderzoek ter terechtzitting zonder wettige grond niet in het openbaar had plaatsgevonden. De Hoge Raad overwoog:
“Nu het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep niet inhoudt dat het Hof heeft bevolen dat enig gedeelte van de behandeling van de zaak met gesloten deuren zou plaatsvinden - in welk geval ook de vertegenwoordigers van de pers geen toegang tot de rechtszaal hebben - kan de klacht van het middel dat het daarin bedoelde onderdeel van het onderzoek ter terechtzitting niet in het openbaar heeft plaatsgevonden, wegens gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden.”
Een verzoek aan de aanwezigen om de zittingszaal te verlaten, hoeft er ook niet zonder meer aan in de weg te staan dat het onderzoek ter terechtzitting in het openbaar heeft plaatsgevonden. Waar de Hoge Raad in HR 9 juli 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1332, oordeelde dat het proces-verbaal van de zitting aldus diende te worden verstaan dat het door de voorzitter van het hof gedane verzoek uitdrukking gaf aan de bedoeling van het hof om een behandeling van de zaak met gesloten deuren te bevelen, oordeelde de Hoge Raad in HR 6 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF5408, dat de klacht, inhoudende dat dat onderdeel van het onderzoek van de terechtzitting in strijd met de wettelijke voorschriften niet in het openbaar heeft plaatsgevonden, wegens gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie kon leiden, nu het proces-verbaal van de terechtzitting niet inhield dat het hof had bevolen dat enig gedeelte van de behandeling van de zaak met gesloten deuren zou plaatsvinden.
Van een openbare zitting is uiteraard geen sprake meer indien zonder sluiting van de deuren een deel van de zitting zich volledig buiten het zicht van derden afspeelt, zoals in een geval waarin de raadsvrouw tijdens een onderbreking van het onderzoek ter terechtzitting in raadkamer haar verzoek tot het horen van een getuige toelichtte. [9]
3.9.
In deze zaak is de afwezigheid van publiek niet een gevolg van een beslissing van de rechters die de bestreden uitspraak hebben gewezen. Zoals de rechtbank overwoog, heeft de rechtbank in zijn algemeenheid besloten belangstellenden niet meer toe te laten tot het gerechtsgebouw. Het nieuwsbericht van de Raad voor de rechtspraak van 15 maart 2020 houdt in dat kader, voor zover hier van belang, het volgende in:
“In verband met de uitbraak van het coronavirus heeft de Rechtspraak besloten vanaf dinsdag 17 maart de rechtbanken, gerechtshoven en bijzondere colleges te sluiten. Urgente zaken gaan wel door. Dit zijn zaken waar een rechterlijke beslissing niet achterwege kan blijven omdat het bijvoorbeeld raakt aan de rechten van verdachten of rechtzoekenden.
(…)
Geen publiek
Vanaf dinsdag 17 maart is geen publiek meer welkom bij rechtszaken.
(…)
Vragen en antwoorden
(…)
Als de Rechtspraak gaat sluiten, mag er dan nog wel publiek naar binnen?
Nee, voor die uitzonderlijke zaken die wel doorgaan, geldt dat vanaf dinsdag 17 maart er geen publiek meer bij zittingen aanwezig mag zijn. Voor die zaken die wel door moeten gaan, wordt er heel terughoudend omgegaan met het aantal aanwezigen. Alleen procespartijen mogen nog met een beperkte delegatie aanwezig zijn in de zittingszaal. Media mogen aanwezig zijn, maar in overleg met de rechtbanken, gerechtshoven en bijzondere colleges. Voor zaken die op grote publieke belangstelling kunnen rekenen, wordt onderzocht of het livestreamen van de zaak een optie is.
Worden er ook geen uitspraken meer gedaan?
Uitspraken blijven we doen, waar het kan/moet en met beperkingen. Publiek is niet toegestaan, procespartijen met een beperkte afvaardiging wel en enkel bij belangstelling krijgt een (beperkt) aantal journalisten toegang. We onderzoeken de mogelijkheid om uitspraken waar mogelijk te livestreamen. Ook proberen we zo veel mogelijk uitspraken te publiceren op www.rechtspraak.nl.” [10]
3.10.
De rechtbank heeft in deze zaak ook uitdrukkelijk niet de sluiting van de deuren bevolen. De vraag van de jongste rechter aan de raadsman maakt dat naar mijn mening niet anders, omdat deze vraag uitgaat van het standpunt van de raadsman dat sprake was van een behandeling met gesloten deuren. De gewichtige redenen van volksgezondheid die ertoe hadden geleid dat de rechtbank in zijn algemeenheid had besloten belangstellenden niet meer toe te laten tot het gerechtsgebouw, hadden blijkens de overwegingen van de rechtbank naar haar oordeel wel kunnen gelden als gewichtige redenen in de zin van art. 25, eerste lid, Uitleveringswet om de deuren te sluiten. Door de deuren niet te sluiten was het de pers wel toegestaan om de zitting bij te wonen, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank voldoende was om van een openbare zitting te spreken.
3.11.
In het licht van het hiervoor aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 9 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB3318, meen ik dat dit oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Het oordeel is ook niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daarbij neem ik in aanmerking dat, hoewel als gevolg van de sluiting van de rechtbank de zitting niet toegankelijk was voor de familie van de opgeëiste persoon, het nog altijd mogelijk was voor de pers om bij de zitting aanwezig te zijn, hetgeen niet het geval was geweest als de rechtbank de sluiting van de deuren had bevolen.
3.12.
Gelet op het voorgaande meen ik dat het onderzoek ter zitting omtrent de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering op 26 maart 2020 in het openbaar heeft plaatsgevonden. Het middel faalt in zoverre.
3.13.
Wat betreft de uitspraak van de beslissing van de rechtbank stel ik voorop dat op grond van art. 362 SvPro, welke bepaling op grond van art. 29, eerste lid, UW van overeenkomstige toepassing is, de uitspraak van de rechtbank omtrent het verzoek tot uitlevering wordt uitgesproken in een openbare zitting van de rechtbank. Op deze eis zijn door de wetgever geen uitzonderingen toegelaten.
3.14.
Bij de vaststelling of de uitspraak overeenkomstig art. 362 SvPro in het openbaar heeft plaatsgevonden, spelen de uitspraak en het proces-verbaal van de zitting een belangrijke rol. Zo werd in HR 27 maart 1979, ECLI:NL:HR:1979:AC6539, NJ 1979/387, geklaagd dat de uitspraak niet in het openbaar was gedaan. Daartoe werd aangevoerd dat de rechters “in burger” waren, de uitspraak niet werd gedaan in een zittingszaal maar in een kamer van het gerechtsgebouw, de deur van de kamer dicht was, in de kamer twee politieagenten voor de deur stonden en er geen ruimte was voor publiek en pers. De Hoge Raad oordeelde dat het middel faalde bij gebrek aan feitelijke grondslag, aangezien in de bestreden uitspraak en in het daarvan opgemaakte proces-verbaal van de terechtzitting was vastgesteld dat die uitspraak ter openbare terechtzitting was gedaan en die terechtzitting in het openbaar was gehouden. Blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting van de uitspraak echter niet dat de uitspraak in het openbaar is gedaan, dan moet het ervoor worden gehouden dat dit niet is gebeurd. [11]
3.15.
In deze zaak houden de bestreden uitspraak en het proces-verbaal van de zitting van 9 april 2020 in dat de uitspraak op een openbare zitting is gedaan. Daarbij moet mijns inziens worden aangenomen dat de zitting niet toegankelijk was voor het publiek, maar wel voor de pers. De sluiting van de rechtbanken, gerechtshoven en bijzondere colleges is immers ook na 6 april 2020 blijven voortduren. [12]
3.16.
De vraag is daarmee of een uitspraak die is gedaan op een zitting die niet toegankelijk is voor het publiek, maar wel toegankelijk is voor de pers, in het openbaar is gedaan. In dat kader merk ik op dat een soortgelijke vraag eerder aan de orde is gekomen in een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 7 april 2020. Zij overwoog voor zover hier van belang, het volgende:
“Uitgangspunten bij openbaarmaking van bestuursrechtelijke uitspraken
3. Ingevolge artikel 8:78 vanPro de Awb geschiedt de uitspraak in het openbaar. Zoals in de geschiedenis van de totstandkoming van het gewijzigde artikel 8:78 vanPro de Awb (Kamerstukken II 2014/15, 34 059, nr. 3, blz. 118) is vermeld, is de openbaarheid van de uitspraak een fundamenteel beginsel dat ook in verschillende mensenrechtenverdragen is neergelegd (artikel 14, eerste lid, van het IVBPR en artikel 6, eerste lid, van het EVRM). In de wetsgeschiedenis is verder vermeld dat het beginsel van openbaarheid ertoe strekt een burger te vrijwaren van tegen hem gewezen geheime vonnissen. Daarnaast gaat het beginsel van openbaarheid over het behoud van vertrouwen in de rechterlijke macht, de controle van de rechterlijke macht door het publiek en het waarborgen van het recht op een eerlijk proces, aldus het EHRM in zijn jurisprudentie over artikel 6 vanPro het EVRM. (…) De wetsgeschiedenis vermeldt ook dat er indertijd – daarbij doelend op de inwerkingtreding van het voorheen geldende artikel 8:78 vanPro de Awb – van werd uitgegaan dat aan het beginsel van openbaarheid invulling diende te worden gegeven door de uitspraak in het openbaar uit te spreken, maar dat er doorgaans in het geheel geen publieke belangstelling voor openbaarmakingszittingen is. De wetswijziging is daardoor ingegeven en door de omstandigheid dat het internet nieuwe kansen biedt om aan de openbaarheid van de uitspraak een meer eigentijdse invulling te geven. Daarbij wordt, onder verwijzing naar het genoemde arrest Pretto, erop gewezen dat de mensenrechtenverdragen niet vereisen dat uitspraken in het openbaar worden uitgesproken. Andere wijzen van openbaarmaking zijn ook toelaatbaar, als eenieder toegang kan verkrijgen tot de volledige tekst van de uitspraak.
Gewone werkwijze bij openbaarmaking
3.1. In de uitspraak van 9 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3410, heeft de Afdeling onder verwijzing naar haar uitspraak van 30 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1390, overwogen dat het uitgangspunt bij elke vorm van openbaarmaking is dat eenieder toegang kan verkrijgen tot de volledige tekst van uitspraken. Het is daarom niet voldoende dat een uitspraak alleen aan de bij de procedure betrokken partijen bekend wordt gemaakt. Ook niet bij een procedure betrokken partijen (belangstellenden) moeten op eenvoudige wijze kennis kunnen nemen van de tekst van rechterlijke uitspraken. Zolang een geschikte vorm van digitale openbaarmaking ontbreekt die ook voor belangstellenden geschikt is, is het houden van openbaarmakingszittingen die voor eenieder toegankelijk zijn een adequate maatregel om te voldoen aan de eisen die gelden voor de openbaarmaking van uitspraken. Het proces-verbaal van die zittingen, met daarin onder andere het zaaknummer en de namen van partijen, en de desbetreffende uitspraken dienen dan wel door belangstellenden bij de griffie kosteloos te kunnen worden ingezien. Ter uitvoering van die uitspraak is de rechtbank weer openbaarmakingszittingen gaan houden.
Aangepaste werkwijze door sluiting van de gebouwen van de rechtbank
3.2. Op de speciale webpagina van de rechtspraak over de getroffen maatregelen staat na de mededeling over de sluiting van de gebouwen het volgende over de tijdelijke werkwijze van de rechtbank:
'De openbaarmakingszittingen worden opgeschort. Uitspraken die (digitaal en fysiek) verzonden kunnen worden, worden aan partijen toegezonden. Uitspraken die al aan partijen zijn toegezonden, maar (nog) niet openbaar zijn uitgesproken, worden door de griffie op een lijst bijgehouden, waarop ook de datum wordt vermeld waarop de uitspraak aan partijen is toegezonden. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, worden al deze uitspraken alsnog openbaar uitgesproken. Niet alle uitspraken zullen worden gepubliceerd in verband met de beperkte capaciteit van de administratie.' (…)
Vermelding onder de uitspraak van de rechtbank
3.3. Deze informatie doet twijfel rijzen over de juistheid van de vermelding in de uitspraak van de rechtbank dat op 17 maart 2020 in het openbaar uitspraak is gedaan. Het gebouw van de rechtbank was op die dag immers niet voor het publiek toegankelijk. De Afdeling gaat er daarom van uit dat de uitspraak niet in het openbaar is gedaan. Op dit punt kleeft er dus een gebrek aan de uitspraak. Dit deel van de grief leidt echter niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Het is namelijk niet in geschil dat partijen tijdig kennis hebben kunnen nemen van de uitspraak. De Afdeling zal dit gebrek herstellen door in dit geval zelf uitspraak in het openbaar te doen en daarin de door de rechtbank genomen beslissing te vermelden (zie de arresten van de Hoge Raad van 19 juni 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC8934 en 15 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7799).” [13]
3.17.
De situatie in de onderhavige zaak verschilt van deze bestuursrechtelijke zaak. Zo is op de behandeling van uitleveringsverzoeken art. 6 EVRMPro niet van toepassing. [14] Verder kent het strafprocesrecht niet de in de uitspraak van de ABRvS aan de orde gekomen mogelijkheid in het bestuursrecht om de openbaarmakingszittingen op een later moment in te halen. Daarnaast was zoals ik hiervoor al opmerkte het de pers wel toegestaan aanwezig te zijn bij de uitspraak.
3.18.
De mogelijkheid voor de pers om aanwezig te zijn bij de uitspraak acht ik voldoende om te spreken van een uitspraak die is gedaan op een openbare zitting van de rechtbank. In het hiervoor aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 9 oktober 2001 was de mogelijkheid voor vertegenwoordigers van de pers om aanwezig te zijn bij de zitting voldoende om te spreken van een openbare zitting ondanks de ontruiming van de publieke tribune. Mijns inziens is er geen aanleiding om daarover anders te oordelen indien het de zitting betreft waarop de uitspraak wordt gedaan. Ten overvloede merk ik op dat de bestreden uitspraak op 14 april 2020 ook is gepubliceerd op www.rechtspraak.nl [15] , waardoor belangstellenden op eenvoudige wijze toegang konden verkrijgen tot de volledige tekst van de uitspraak. [16]
3.19.
Gelet op het voorgaande faalt het middel voor zover het klaagt dat de uitspraak niet in het openbaar heeft plaatsgevonden. Voor het geval de Hoge Raad anders oordeelt, merk ik op dat de vaststelling dat de bestreden uitspraak niet in het openbaar is uitgesproken niet hoeft te leiden tot vernietiging van deze uitspraak. De Hoge Raad kan in dat geval immers doen wat de rechtbank had behoren te doen en zelf de bestreden beslissing ter openbare terechtzitting uitspreken. [17]
3.20.
Het middel faalt in al zijn onderdelen.
4. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
1.Stb. 2020, 124.
2.Art. 27 TijdelijkPro wet COVID-19 Justitie en Veiligheid luidt als volgt:
3.Art. 28 TijdelijkPro wet COVID-19 Justitie en Veiligheid luidt als volgt:
4.Stb. 2020, 126. Overigens sloot art. 35, tweede lid, Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid de mogelijkheid van het terugwerken van paragraaf 6 reeds uit.
6.Art. 25, eerste lid, UW is overgenomen uit art. 14, eerste lid, van de Wet van 6 april 1875 tot regeling der algemeene voorwaarden, op welke, ten aanzien van de uitlevering van vreemdelingen, verdragen met vreemde Mogendheden kunnen worden gesloten (Stb. 1875, 66). Zie over deze bepaling
7.HR 3 februari 1987, ECLI:NL:HR:1987:AB8291, NJ 1988/239. Zie ook HR 12 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS8860. Overigens leidt het in het openbaar behandelen van het uitleveringsverzoek terwijl de opgeëiste persoon heeft verzocht tot sluiting van de deuren eveneens tot nietigheid, ook al is dit niet uitdrukkelijk met nietigheid bedreigd. Zie HR 11 september 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB3198, en HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN8515.
8.Vgl. G.J.M. Corstens/M.J. Borgers & T. Kooijmans,