Conclusie
1.Inleiding
2.Bewezenverklaring en bewijsvoering
Omstreeks 12:35 uur, [verbalisant 17].
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld voor medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van ongeveer 1487,4 gram heroïne in een woning te Rotterdam en voor een andere overtreding van de Opiumwet. Het cassatieberoep richtte zich op de motivering van de bewezenverklaring en de overschrijding van de inzendtermijn.
De bewezenverklaring was gebaseerd op diverse bewijsmiddelen, waaronder observaties van de verdachte en een medeverdachte in de woning, inbeslagname van heroïne in een inbouwkast, camerabeelden, sleutelonderzoek en verklaringen van betrokkenen. Het hof concludeerde dat verdachte en medeverdachte feitelijk gebruikers waren van de woning, waardoor de heroïne zich in hun machtssfeer bevond en zij wetenschap moesten hebben van de aanwezigheid ervan.
De procureur-generaal betoogt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd dat verdachte feitelijk gebruiker was, omdat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat verdachte zelfstandig toegang had tot de woning of zeggenschap had over wie de woning betrad. De aanwezigheid van meerdere personen en het feit dat de heroïne in een gesloten plastic tas in een kast lag, maken het oordeel over wetenschap en medeplegen onvoldoende begrijpelijk.
Verder is volgens de procureur-generaal niet aannemelijk gemaakt dat verdachte een bewuste en nauwe samenwerking had met de medeverdachte die voldoende gewicht droeg voor medeplegen. Het middel slaagt dan ook en het arrest dient te worden vernietigd en de zaak terug te worden verwezen voor hernieuwde berechting. De overschrijding van de inzendtermijn wordt geconstateerd maar behoeft geen nadere bespreking nu het eerste middel slaagt.
Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd wegens onvoldoende gemotiveerde bewezenverklaring en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.